Uitspraak
26 juni 1992.
Hoge Raad
De zaak betreft een arbeidsgeschil tussen eiseres en Sport- en recreatiecentrum Thialf B.V. over de doorbetaling van loon na vermeende beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Eiseres was sinds 1978 seizoenmedewerkster met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en vanaf 1986 in vaste dienst. Na opzegging per 30 september 1987 verrichtte zij vanaf 1 oktober 1987 opnieuw werkzaamheden op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst zonder voorafgaande opzegging.
De kantonrechter wees de vordering van eiseres af, en ook de rechtbank bevestigde dit oordeel. Eiseres stelde dat de brief van 7 april 1988 van Thialf als opzegging moest worden gezien, die nietig was wegens ontbreken van toestemming van de directeur GAB, en dat zij recht had op loonbetaling tot 27 september 1988.
De Hoge Raad oordeelde dat voortzetting van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd ook na beëindiging met toestemming opzegging vereist, ook als er sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst aansluitend op de vorige. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat geen sprake was van voortzetting in de zin van art. 1639f oud BW. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en de zaak verwezen naar het hof voor verdere behandeling.
De Hoge Raad veroordeelde Thialf tevens in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van opzegging en voortzetting van arbeidsovereenkomsten bij seizoenarbeid en bevestigt de ontslagbescherming bij voortgezette dienstbetrekkingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling, waarbij wordt bevestigd dat opzegging vereist is bij voortzetting van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd.