Conclusie
Zitting 3 december 1991
[verdachte]
"
Ik heb het gezicht van de jongen gezien. Hij voldeed aan het volgende signalement: een jongeman met een beetje Turks of Marokkaans uiterlijk, leeftijd 20 tot 25 jaar. 1.70 tot 1.80 lang, normaal postuur, middellang donker krullend haar, waarbij de oren vrij waren (permanent), geen baard, bril of snor".
"
Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen, dat verdachte voldoet aan het signalement dat door voormelde getuige aan de politie is opgegeven."
naastde andere in art. 339 opgesomde Pro bewijsmiddelen. Het slokt, zoals Knigge in Leerstukken van strafprocesrecht (p. 115) zegt, de andere niet op: "het bestrijkt het terrein dat door de andere bewijsmiddelen wordt open gelaten". In deze zin ook Borst/Nijboer, Inleiding tot het strafrechtelijk bewijs, p. 88. Voor het bewijsmateriaal dat zijn neerslag vindt in een geschrift (de bewijsmiddelen van art. 344 Sv Pro) geldt wat art. 297 lid 5 Sv Pro in algemene zin zegt: ten bezware van de verdachte mag op
stukkengeen acht worden geslagen dan voor zover zij zijn voorgelezen of de korte inhoud ervan mondeling is meegedeeld. Een regel als die van art. 297 lid 5 is Pro ten aanzien van de bewijsmiddelen onder 2⁰, 3⁰ en 4⁰ van het eerste lid van art. 339 Sv Pro overbodig: de verdachte kan op de terechtzitting weerwerk geven. De eigen waarneming van de rechter zal, zoals de memorie van toelichting ad art. 333 zegt Pro (zitting 1913-1914, kamerstuk 286, nr. 3, p. 169), "een voorname rol spelen bij het bezichtigen van overtuigingsstukken, de opneming eener bepaalde plaatselijke gesteldheid en de kennisneming van den inhoud van ter terechtzitting geproduceerde geschriften. Van belang is in dit verband ook het voorschrift van artikel 311 (- 318,
M.) omtrent de mogelijkheid van tijdelijke verplaatsing der terechtzitting voor het houden eener schouw". Vgl. ook het voorschrift van art. 309 Sv Pro: de voorwerpen die als stukken van overtuiging dienen worden, zo nodig, aan de verdachte getoond.
In het algemeen zal wat de rechter waarneemt ook door de verdachte kunnen waargenomen (Reijntjes, diss. P. 201), maar er doen zich gevallen voor waarin –zoals hier- de eigen waarneming eerst uit het vonnis blijkt (vgl. Melai/Borst, aant. 3 bij art. 340).
Melai/Borst, t.a.p.: "Hier geldt …. de wenselijkheid van explicitering" (zie schriftuur, onder 7);
Minkenhof/Reijntjes, p. 237-238;
Reijntjes, diss. (eveneens in de schriftuur, t.a.p.);
Fokkens, Bewijzen in het strafrecht, p. 39: "Ook hier geldt dat de waarneming van de rechter ter terechtzitting onderwerp van discussie moet kunnen zijn. Het moet aan het Openbaar Ministerie en de verdachte duidelijk zijn, wat de rechter waarneemt",
Borst/Nijboer, a.w., p. 89: "Verzuim hiervan (van het ter discussie stellen van de eigen waarneming van de rechter op de zitting,
M.) zou onzes inziens –naar analogie van de formele nietigheid van art. 297, vijfde lid- een essentiële nietigheid moeten opleveren indien zij worden gebruikt ten bezware van de verdachte …".
"
While Art. 6 Convention Pro guarantees the right to a fair trial, it does not lay down any rules on the admissibility of evidence as such, which is therefore primarily a matter for regulation under national law."
"
must be produced in the presence of the accused at a public hearing with a view to adversarial argument".
indienuit de gedingstukken blijkt dat het object van de waarneming zodanig ter sprake is gekomen dat de verdediging het heeft kunnen betwisten. Dat zal onder meer het geval zijn, wanneer het voorwerp van de waarneming is weergegeven in een processtuk waarvan op de zitting de (korte) inhoud is medegedeeld of in een ter zitting afgelegde verklaring naar voren is gebracht. De Hoge Raad heeft in ander verband de hiervoor bedoelde, geclausuleerde, regel onder meer toegepast in zijn arrest van 29 oktober 1991, nr. 89.759:
"….
behoefde het verzuim van het hof om de in het middel bedoelde brief aan de verdachte of zijn raadsman ter inzage aan te bieden er niet aan in de weg te staan dat die brief voor het bewijs werd gebruikt. Immers, aan de verdachte en zijn raadsman is ter terechtzitting van 3 november 1989 zowel het bestaan als de inhoud van die brief ter kennis gebracht in het kader van de door de Procureur-Generaal gemaakte aanvullende opmerkingen op het proces-verbaal van 5 september 1989, terwijl aan de raadsman de gelegenheid is geboden zich omtrent die opmerkingen uit te laten en mitsdien om desverlangd inzage van die brief te vragen".
"
Op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat het sperma op de blouse van het slachtoffer [slachtoffer 1] redelijkerwijs afkomstig is van (volgt de naam van verzoeker, M.). De kans dat twee willekeurige mannen van caucasische origine (lees: blanke afkomst), die geen bloedverwantschap met elkaar hebben een ononderscheidelijk patroon bezitten als het patroon in het spermaspoor op de blouse van [slachtoffer 1] bedraagt volgens de meest conservatieve schatting minder dan één op de miljoen."
"
Door de raadsman is betoogd, dat het toegepaste DNA-onderzoek niet tot het bewijs kan meewerken. Daartoe is gesteld dat dit onderzoek de feitelijke mogelijkheid tot tegenonderzoek niet kan ontberen en dat voorts de betrouwbaarheid ervan in wetenschappelijke kring geenszins onomstreden is.
"
In Nederland verricht alleen het Gerechtelijk Laboratorium DNA-onderzoeken in strafrechtelijke aangelegenheden. Van een in dit geval (en zo is dat helaas zo vaak) onvermogende verdachte kan toch niet verlangd worden dat hij een contra-expertise laat verrichten in het buitenland. (…)
Daarmee valt de bodem onder het middel ("recht op een tegenonderzoek voor een verdachte die zulks wenst …", schriftuur, p. 11, punt 5) weg. Een algemeen recht op een tegenonderzoek, los van een uitdrukkelijk verzoek van de verdachte of zijn raadsman, kan immers noch uit enige verdragsbepaling noch uit Sv worden afgeleid. Zie HR 21 mei 1988, NJ 1988, 898, met nt. ThWvV en HR 6 maart 1990, NJ 1990, 467, met nt. Schalken. Voor gegevens moge ik verwijzen naar de conclusie voor laatstgenoemd arrest (ademanalyse). Vgl. ook Mintjes/De Rooij in VR 1990, p. 85-86 en Von Brucken Fock in Justitieel onderzoek aan en in het lichaam, p. 26-28.
quod non, naar ik meen), het middel, voor zover het over ontoereikende verwerping van het verweer klaagt, mij gegrond voorkomt.
"…
in een aantal strafzaken in de VS ertoe geleid dat de rechter de resultaten van het uitgevoerde DNA-identificatie-onderzoek niet als bewijs heeft willen accepteren, evenwel niet omdat de methode van onderzoek zelf niet betrouwbaar zou zijn, maar omdat de wijze van onderzoek in concreto niet aan de eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid voldeed."
Waar het naar mijn mening op aan komt is dat (ik citeer nogmaals het BHG in zijn genoemde uitspraak) "die angewendeten Methoden den Sicherheitsanforderungen entsprechen, wie sie zur Zeit international gestellt werden".