Uitspraak
[plaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Zwolle.
Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen, dat verdachte voldoet aan het signalement dat door voormelde getuige aan de politie is opgegeven.'
Een bijzonderheid van het in art. 340 genoemde Pro bewijsmiddel – die echter niet kan dienen als onderscheidend criterium – is tenslotte hierin gelegen, dat bij gebruikmaking ervan in het vonnis het ‘’beschikbare’’ en het ‘’gebruikte’’ bewijsmiddel niet van elkaar te onderscheiden zijn voorzover niet in het proces-verbaal van de terechtzitting expliciet melding wordt gemaakt van de waarneming van de rechter. Dit laatste zal veelal wel gebeuren als een schouw is gehouden of demonstratie is gegeven of als de rechter een door hem gedane waarneming op de zitting uitdrukkelijk ter discussie stelt. In de andere gevallen zal van zijn waarneming eerst in het vonnis blijken. Hier geldt derhalve – evenals bij de gegevens van algemene bekendheid – de wenselijkheid van explicitering. Die explicitering betekent niet alleen dat de waarneming van de rechter voor tegenspraak en discussie vatbaar wordt gemaakt, maar ook dat zij – al dan niet op aandrang van de verdediging of de vervolging, zie art. 326, laatste lid – in het proces-verbaal wordt opgenomen, hetgeen partijen een aanknopingspunt kan verschaffen voor kritiek (in appel of cassatie) op de inhoud en het gebruik van het bewijsmiddel. Aan de rechter komt immers niet een onbeperkte interpretatieve vrijheid toe bij het vaststellen van de bewijsmiddelen en aantasting van de ‘’eigen waarneming van de rechter’’ zal des te vruchtbaarder kunnen geschieden wanneer er een aantoonbare discrepantie bestaat tussen hetgeen blijkens het proces-verbaal is voorgevallen en hetgeen de rechter als resultaat daarvan in het vonnis onder de bewijsmiddelen vermeld.’’
’Door de raadsman is betoogd, dat het toegepaste DNA-onderzoek niet tot het bewijs kan meewerken. Daartoe is gesteld dat dit onderzoek de feitelijke mogelijkheid tot tegenonderzoek niet kan ontberen en dat voorts de betrouwbaarheid ervan in wetenschappelijke kring geenszins onomstreden is.
Juist omdat het DNA-onderzoek niet onomstreden is en omdat er zoveel fouten kunnen worden gemaakt en omdat juristen nu eenmaal niet beschikken over de kennis waarover de onderzoekers wel kunnen beschikken is het absoluut noodzakelijk dat de mogelijkheid van een tegenonderzoek wordt geboden, sterker nog dat er een tegenonderzoek wordt verricht, alvorens de uitslag van een DNA-onderzoek kan bijdragen tot het bewijs voor een telastegelegd feit.’’
De commissie acht een recht voor de verdachte op een tegenonderzoek gewenst, gelet op de verstrekkende gevolgen die de uitslag van een DNA-onderzoek kan hebben op een strafzaak en het feit dat menselijke en technische fouten bij de uitvoering van dit onderzoek nooit zijn uit te sluiten. Voorts wijst zij er op dat verdachte dit recht, zoals in paragraaf 4.1 besproken, onder omstandigheden ontleent aan artikel 6 eerste Pro lid, E.V.R.M.’’
De hoogleraar erflijkheidsleer Prof. Dr M.J. Giphart, verbonden aan de Leidse Universiteit, heeft begin dit jaar openlijk zijn verbazing uitgesproken over het feit dat officier van justitie en rechters afgaan op resultaten van DNA-onderzoeken terwijl zij zelf de kennis niet in huis hebben om te kunnen beoordelen of het resultaat van het onderzoek tot stand is gekomen op een acceptabele en degelijke manier. In dit verband verwijs ik naar het NJB van 17 februari 1990 bladzijde 295 en 296. Tevens verwijs ik in dit verband naar een artikel van Prof. Mr J.C.M. Leijten in het NJB van 1988 bladzijde 1481 en 1482 waarin Mr Leijten het uitermate bedenkelijk vindt dat leden van het O.M. en rechters de absolute betrouwbaarheid, althans de mate van betrouwbaarheid van het DNA-onderzoek, op gezag van anderen moeten aannemen, terwijl zij daaraan de strafrechtelijke consequenties van vaak ingrijpende aard moeten verbinden. Desalniettemin is in dit geval toch op grond van een dergelijke test mijn cliënt veroordeeld. Dit is temeer een wonderlijke zaak omdat gebleken is dat de uitslagen van dergelijke testen vaak onbetrouwbaar zijn. Prof. Giphart verwijst in dit verband naar een onderzoek in de Verenigde Staten waaruit bleek dat van de 68 uitslagen van onderzoeken naar enzymvarianten in bloedmonsters er 18 fout waren. Dat is meer dan 25%! en dan ging het hier om een eenvoudig onderzoek, eenvoudiger dan het DNA-onderzoek, aldus prof. Giphart. Met andere woorden wat moeten er in DNA-testen dan wel niet een fouten worden gemaakt. Eén van de vele bezwaren van Prof. Giphart tegen het DNA-onderzoek is dat er te weinig erfelijk materiaal gebruikt wordt voor het onderzoek. Je weet dus dat het mogelijk kan kloppen ten aanzien van dat beetje materiaal maar niet met betrekking tot het geheel (in dit verband wordt een vergelijking gemaakt tussen 50 velletjes in een boek in verhouding tot 50 meter boeken).
[plaats], [a-straat 1] .
- in de zaak [slachtoffer 1] op 13 november 1989:
- in de zaak [slachtoffer 2] op 5 december 1989:
18 februari 1992.