Conclusie
strafrechter instellen (ib.).
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een civiele vordering die door de strafrechter aan de beledigde partij was toegewezen, maar nog niet onherroepelijk was, na het overlijden van die partij overgaat op diens erfgenamen. Het gerechtshof had een schadevergoeding toegewezen aan de beledigde partij, die na deze toewijzing maar vóór de beslissing van de Hoge Raad overleed.
De Hoge Raad overwoog dat alleen degene die door het strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden zich als beledigde partij kan voegen in het strafproces en dat subrogatie niet is toegestaan. De civiele vordering wordt weliswaar behandeld binnen het strafproces, maar is van burgerrechtelijke aard en valt onder het materieel burgerlijk recht.
De Hoge Raad verwierp de stelling dat de vordering niet op de erfgenamen overgaat en stelde dat de vordering, eenmaal ingediend via voeging in het strafproces, een vermogensbestanddeel is dat in de boedel van de overledene valt. De toewijzing van de vordering door het hof blijft in stand en de vordering moet door de erfgenamen worden voldaan. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de civiele vordering overgaat op de erfgenamen van de overleden beledigde partij.