ECLI:NL:PHR:1994:17
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot behoud van het Nederlanderschap na verkrijging Surinaamse nationaliteit
Verzoekster, geboren in Suriname in 1926 en oorspronkelijk Nederlands staatsburger, woonde van 1974 tot 1983 in Nederland en behield daardoor het Nederlanderschap bij Surinaamse onafhankelijkheid in 1975. Van 1983 tot 1987 verbleef zij in Suriname, waarna haar Nederlandse paspoort in 1987 werd ingetrokken wegens verblijf in Suriname langer dan twee jaar, conform de Toescheidingsovereenkomst.
In 1988 werd verzoekster in Amsterdam ingeschreven en kreeg zij opnieuw een Nederlands paspoort, dat in 1993 weer werd ingetrokken vanwege haar Surinaamse nationaliteit, wat het verlies van het Nederlanderschap impliceert. Verzoekster stelde dat zij op grond van de paspoortuitreiking gerechtvaardigde verwachtingen had het Nederlanderschap te behouden en dat zij niet was gewezen op rechtsmiddelen tegen intrekking.
De rechtbank wees het verzoek af, stellende dat het Nederlanderschap uitsluitend wordt verkregen en verloren volgens limitatieve wettelijke bepalingen en verdragsregels, waarbij het vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast om het nationaliteitsverlies te voorkomen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, stellende dat de opgewekte verwachtingen geen rechtsgrond bieden voor behoud van het Nederlanderschap.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verzoek tot vaststelling van behoud van het Nederlanderschap wordt afgewezen.