Conclusie
Factoren e en fvan het arrest van 1983, die toegespitst waren op het concrete geval van toen, te weten een gemeenteraadslid dat een bestuurder van kinderbeschermingsinstellingen beschuldigde van misbruik van overheidsgelden waarbij mogelijkerwijs de misstand met minder nadelen voor betrokkene ook op een andere wijze gesignaleerd had kunnen worden, komen in het onderhavige arrest niet voor.
onderdeel B onder 3 sub avan het cassatiemiddel dat het hof tot zijn oordeel is gekomen zonder de in het arrest van 1983 bedoelde omstandigheden te hebben afgewogen, feitelijke grondslag mist.
Onderdeel B onder 3 sub bvan het cassatiemiddel gaat ervan uit dat het hof wél een belangenafweging aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, maar verwijt het hof hierbij essentiële factoren buiten beschouwing te hebben gelaten. Blijkens de cassatiedagvaarding en de schriftelijke toelichting, p. 60 doelt Het Parool hierbij op de in de
onderdelen D t/m Qgenoemde en nader uitgewerkte factoren.
onderdeel H: de omstandigheid dat [verweerder] in het interview van 1 december 1989 in NRC Handelsblad zelf zijn daad van 1943 in de publiciteit heeft gebracht. Zie daaromtrent r.o. 7.22 jo 7.7 arrest: het hof miskent dit niet, maar waardeert deze omstandigheid anders dan Het Parool en de rechtbank;
onderdeel I: misstand. Het hof heeft hieromtrent overwogen in r.o. 7.8 t/m 7.11 jo 7.12 t/m 7.17. Of het hof de stellingen van Het Parool verkeerd heeft begrepen, zoals Het Parool ook betoogt, komt ad V ter sprake;
onderdeel K, met name sub 3: de rehabilitatie. Zie r.o. 7.17 jo 7.10 arrest waarin het hof hierop ingaat;
onderdelen L, M, N, O, P en Q: nergens in deze onderdelen kan ik lezen dat het hof aan de daarin aan de orde gestelde factoren is voorbijgegaan.
onderdelen D en E, in samenhang met
onderdeel F(jo B sub 1 en 2),
onderdeel Gen
onderdeel J. Deze behoeven een (iets) uitgebreidere bespreking.
onderdelen D en E, in samenhang met
onderdeel F(jo B sub 1 en 2) hebben betrekking op de door Het Parool als essentieel aangemerkte factoren van de “public figure”, “public issue” en “public speech”. Zakelijk weergegeven komen ze er op neer dat het hof deze factoren ten onrechte niet in zijn beschouwingen heeft betrokken, omdat het, indien het dit wél had gedaan, het beroep van [verweerder] op privacy-bescherming had moeten afwijzen, althans had moeten oordelen dat diens rechten niet verder gaan dan die van art. 1401 (oud) BW of art. 1408 (oud) BW, althans de privacy-bescherming van [verweerder] veel minder zwaar had mogen laten meewegen dan thans is gebeurd.
r.o. 6van haar vonnis het algemeen belang waarop Het Parool zich beroepen heeft ter rechtvaardiging van de publicaties. In
r.o. 9oordeelt zij dat beroep terecht, verwijzende naar het zowel historisch als nog steeds sterk aktuele maatschappelijke belang van de kwestie, bij welk oordeel zij blijkens
r.o. 12ook heeft meegewogen dat [verweerder] een bekend cineast is en dat hij juist in die kwaliteit melding heeft gemaakt van de liquidatie van de joodse onderduiker.
grief IV, p. 32-34 wordt alleen twee keer gerefereerd aan de term algemeen belang (p. 32 ad 3 en p. 34 ad 7). Op p. 35 wordt wederom herhaald dat de moord op de onderduiker geen kwestie is van [verweerder] persoonlijke levenssfeer. Ad
grief VII, p. 39-44 wordt de bekendheid van [verweerder] vermeld als tegenstelling tot de onbekende D.H. (p. 44; zie voorts impliciet op p. 41 ad g). Voorts wordt op p. 44 sub 3 aangekondigd dat wordt teruggekomen op de stelling van [verweerder] in nr. 77 memorie van grieven dat het enkele feit dat hij een bekend cineast is hem nog niet tot een publieke persoonlijkheid maakt die zich tot op zekere hoogte aantijgingen van allerlei aard moet laten welgevallen. Dat gebeurt n.a.v. grief XI, in de toelichting waarvan [verweerder] zijn standpunt herhaalt dat het enkele feit dat hij een bekend cineast is, zoals de rechtbank heeft overwogen, hem nog niet tot een 'public figure' maakt. Het Parool reageert hierop als volgt (p. 53):
Onderdeel Ghoudt in dat het hof in r.o. 7.7 ten onrechte voorbij is gegaan aan het beroep dat Het Parool heeft gedaan op publicaties over het onderwerp in 1946 en 1982 en op de aktieve, althans instemmende rol van [verweerder] daarbij. Het hof heeft in de genoemde rechtsoverweging geoordeeld dat uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat [verweerder] tot eind 1989 noch wat betreft een eventueel verzetsverleden noch wat betreft de dood van de onderduiker ooit in persoon en bij name in de openbaarheid is getreden. Pas in het interview van 1 december 1989 heeft hij er voor het eerst zelf over gesproken, zulks in antwoord op een hem gestelde vraag. Nadien heeft hij er - in de publiciteit - wederom over gezwegen. Aldus het hof.
Onderdeel J: sub 3 van het onderdeel somt 17 feiten en omstandigheden op, waaraan - althans aan een deel ervan - het hof volgens Het Parool bij zijn beslissing dat de verdenking van roofmoord geen steun vindt in het voorhanden feitenmateriaal, niet voorbij had mogen gaan.
Onderdeel Avan het cassatiemiddel klaagt er sub a over dat het hof in strijd met art. 48 Rv Pro ambtshalve als feit heeft bijgebracht dat [verweerder] en de onderduiker al spoedig moeilijkheden kregen. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat dit feit op verschillende plaatsen in de processtukken is terug te vinden. Ik verwijs naar het in eerste aanleg overgelegde klaagschrift RvdJ, p. 10 en de daarbij behorende produkties 11, 31, met name de bijlagen, 33 en 34, Zie voorts o.m. akte produkties (dossierstuk nr. 8), prod. 1 en 2; memorie van grieven, prod. 8 (brief van mr. Houthoff), p. 3, alsmede prod. 10 (waarbij o.m. een uit het BVD-archief gekopieerde brief van 24 februari 1956 en een rapport is overgelegd).
sub bbeslist. Immers ook wanneer juist zou zijn dat het hof de sub a bedoelde vaststellingen ontleend zou hebben aan de pas bij het pleidooi door voorlezing van diens advocaat in het geding gekomen “intake”-verklaring van [verweerder]
2, doet dit er niet aan af dat
Sub cen de
primaire klacht sub dvan onderdeel A bouwen voort op de klachten sub a en b en delen mitsdien het lot ervan. De
subsidiaire klacht sub d, voorzover al niet falend omdat ze voorbouwt op sub c jo a en b, mist evenals de klacht
sub efeitelijke grondslag: nergens blijkt uit - en de klachten geven het ook niet aan - dat en in welk opzicht de daarin vermelde beslissingen van het hof (mede) steunen op in de “intake”-verklaring opgenomen feiten en stellingen. Alleen ten aanzien van de hiervoor onder 37 en 38 genoemde omstandigheden is dit wel gebeurd, maar de klachten daarover falen op de in nr. 39 genoemde gronden. Voor het overige: r.o. 7.19 wijst terug naar de r.o. 7.12 t/m 7.17 en naar de daarin vermelde feitelijke gegevens. Geen van deze gegevens refereert aan de “intake”-verklaring. Ook r.o. 7.19 doet dit niet: het hof verwijst hierin naar het gratie-advies, ten dele geciteerd in r.o. 3.10, en naar hetgeen Het Parool daartegen 'als grotendeels berustend op speculaties' heeft aangevoerd. Voor r.o. 7.21 geldt hetzelfde: met de gehanteerde trefwoorden maakt het hof duidelijk dat het de r.o. 7.1 t/m 7.20 samenvat en op die basis tot zijn beslissing komt.
Onderdeel Cvecht met een reeks van klachten aan hetgeen het hof heeft overwogen over de aard van de verdenking(en) die in de gewraakte artikelen jegens [verweerder] zijn geuit.
Sub 1a–1cbestrijden dat het hof ook het artikel van 25 mei 1991 in de overwegingen heeft betrokken. De klachten falen omdat [verweerder] dit artikel in appel uitdrukkelijk mede aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd (arrest hof, r.o. 5). Niet van belang is dat het petitum, meer in het bijzonder de verklaring voor recht, hieraan niet is aangepast en slechts betrekking heeft op de artikelen van begin 1990. Om dezelfde reden faalt het onderdeel
sub 2a-2c, waarin soortgelijke klachten zijn geformuleerd over de uitlatingen van [eiser 2] in het programma “Het lopend vuur”.
Sub 1dvan onderdeel C richt zich tegen de tweede zin van r.o. 7.13 en faalt: het hof heeft informatie “van horen zeggen” niet in de ban gedaan, maar deze informatie in casu niet voldoende geoordeeld om de verdenking van dubbele moord te dragen. Die appreciatie van het hof acht ik niet onbegrijpelijk en voor het overige in cassatie niet toetsbaar. Ook de klachten
sub 3a-3bberusten op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg en waardering van de gewraakte publicaties: er worden zoveel vraagtekens gezet bij het verzetsmotief dat welhaast onontkoombaar de suggestie wordt gewekt dat er slechts één conclusie mogelijk is, te weten roofmoord. Ik acht deze uitleg en waardering bij een onbevangen lezing van de publicaties niet onbegrijpelijk. Sub 4 faalt eveneens: het is volkomen duidelijk op welke “beschuldiging” of “verdenking” het hof in r.o. 7.5 e.v. het oog heeft. Vergelijk r.o. 7.5 met r.o. 7.13 en 7.14.
onderdelen D en E, in samenhang met
onderdeel F(
jo B sub 1 en 2) keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de door het hof verrichte afweging van het belang van de persvrijheid tegenover het belang van [verweerder] op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Naar hun kern genomen houden ze in dat, gegeven dat sprake is van een “public figure”, een “public issue” en “public speech”, het hof (a) het beroep van [verweerder] op privacy-bescherming had moeten afwijzen, althans (b) had moeten oordelen dat diens rechten niet verder gaan dan die van art. 1401 (oud) BW of art. 1408 (oud) BW, althans (c) de privacy-bescherming van [verweerder] veel minder zwaar had mogen laten meewegen dan thans is gebeurd.
Onderdeel G: met hetgeen ik hierover heb gezegd in nr. 32-34 is mijns inziens ook de onder 1 opgenomen motiveringsklacht weerlegd. Uitgezonderd de rectificatie in 1982, mist met name de veronderstelling dat de publicaties van 1946 en 1982 tot stand zijn gebracht op initiatief, althans met voorkennis of met instemming van [verweerder] feitelijke grondslag.
onderdeel Hfalen.
Sub 1omdat het hof niet heeft miskend dat [verweerder] desgevraagd zelf de kwestie heeft aangesneden in zijn interview van 1 december 1989. Zie r.o. 7.7. Het hof heeft alleen - terecht - niet aanvaard dat [verweerder] zich omdat hij desgevraagd zelf de kwestie in het interview heeft aangesneden, beledigende of onrechtmatige publicaties moet laten welgevallen, ook niet nu hij een bekend cineast is en hij in het interview mede een verbinding heeft gelegd tussen zijn uitlatingen en zijn beroep. Zie voor het overige hiervóór bij onderdeel D en E jo F (en B sub 1 en 2) waaruit blijkt dat het hof terecht tot het oordeel is kunnen komen dat in de gegeven omstandigheden van het geval de publicaties beledigend zijn. Sub 2 faalt omdat het voortbouwt op de onderdelen G en H, sub 1.
Onderdeel Ibestrijdt met een reeks klachten de overwegingen, waarin het hof de vraag bespreekt of de artikelen van [eiser 3] een misstand aan de kaak stellen die bezien vanuit het algemeen belang ernstig is te noemen. Sub 1a betoogt dat het hof heeft miskend dat Het Parool als misstand, althans als rechtvaardiging van de artikelen heeft aangevoerd het ontbreken van helderheid over een daad waarover indertijd met welwillendheid is geoordeeld en bericht, van de thans bekende Nederlander en prominent cineast onder de in het onderdeel aangegeven omstandigheden. De klacht faalt. Het hof heeft om te beginnen in r.o. 7.8 geoordeeld dat het zonder aktualiteitswaarde oprakelen van een daad van tientallen jaren geleden geen misstand aan de orde stelt die bezien vanuit het algemeen belang ernstig is te noemen. Derhalve: het louter willen verschaffen van helderheid over een daad in een ver verleden is onvoldoende. Er moet een aktuele betrokkenheid zijn volgens het hof. Welke dit is, geeft het aan in r.o. 7.9 jo 7.12: het ten onrechte prat gaan op een verzetsverleden c.q. het ten onrechte opvoeren van een verzetsverleden bij de liquidatie. In dat perspectief moet de verdenking van dubbele moord dan wel roofmoord worden beoordeeld. Daarnaast vermeldt het hof nog als door Het Parool aangevoerde misstanden, hetgeen in r.o. 7.10 en 7.11 is overwogen.
sub 1bstuit af op hetgeen het hof met juistheid heeft overwogen in r.o. 7.8 van zijn arrest, hiervoor genoemd. Ook
sub 1c onder 1faalt: Het Parool heeft niet aannemelijk kunnen maken dat sprake is geweest van een dubbele moord dan wel roofmoord. Gelet op het hiervoor geschetste perspectief behoefde het hof vervolgens over het verzetsmotief geen definitief uitsluitsel meer te geven.
Sub 1c onder 2mist feitelijke grondslag: zie r.o. 7.12. Daarop lopen ook
sub 1d en 1estuk. Sub 1e mist bovendien feitelijke grondslag.
Sub 2faalt, omdat het voortbouwt op met name sub 1c. Bij de klacht
sub 3, gericht tegen r.o. 7.11, heeft Het Parool geen belang meer: ook al zou zij juist zijn, dan nog blijft het voorgaande in stand.
Onderdeel Jbestrijdt met een groot aantal klachten de beslissing van het hof in r.o. 7.14 dat de gepubliceerde verdenking van roofmoord geen steun vindt in het voorhanden feitenmateriaal.
Sub 1bevat geen zelfstandige klacht.
Sub 2betoogt, kort gezegd, dat het argument van het hof ontleend aan de strafrechtelijke vrijspraak, zonder noemenswaardig gewicht is. De klacht faalt. Het gaat om een waardering van feitelijke gegevens, die in cassatie slechts marginaal getoetst kan worden. Hiervan uitgaande geeft het oordeel van het hof geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk: het is volkomen juist dat de rechter de vrijspraak tot uitgangspunt neemt en degene die de vrijspraak in publicaties betwist, met de last opzadelt dit aan te tonen (aannemelijk te maken). Het feit dat de betrokkene zelf zegt dat het verzetsmotief ten tijde van de vrijspraak niet aan de orde is kunnen komen, maakt dit niet anders c.q. geeft geen steun aan de verdenking van roofmoord. Allerminst zelfs, zou ik menen. Evenmin volgt dit uit het feit dat degene die publiekelijk verdacht wordt gemaakt, geen inzage in dossiers geeft. Het is aan Het Parool om de onjuistheid van de vrijspraak en de gegrondheid van de verdenking aan te tonen. Sub 2 faalt.
sub 3genoemde 17 omstandigheden is het oordeel van het hof dat Het Parool de verdenking van roofmoord niet aannemelijk heeft weten te maken, niet onbegrijpelijk. Ik ga niet afzonderlijk op alle omstandigheden in, én omdat die omstandigheden alle in samenhang moeten worden beoordeeld én omdat de waardering ervan in cassatie slechts marginaal getoetst kan worden en het oordeel van het hof die toets doorstaat. Enerzijds is er het gegeven van de vrijspraak, waaraan het hof terecht groot gewicht heeft toegekend. Anderzijds is er de ernst van de verdenking: roofmoord. Het plaatsen van kanttekeningen bij zekere feiten, het signaleren van al of niet vermeende tegenstrijdigheden en het opwerpen van vragen, is niet voldoende om het een te ontkrachten en het ander aannemelijk te achten. Het Parool had, zoals het hof mijns inziens met juistheid overweegt in r.o. 7.16, een diepgaander (historisch) onderzoek moeten instellen. Degene jegens wie publiekelijk een verdenking van zo iets diffamerends als roofmoord wordt geuit - en nog wel roofmoord op een joodse onderduiker in een tijd dat de jodenvervolging in Nederland op haar ergst was - heeft recht op deze zorgvuldigheid. Daarom faalt ook de klacht
sub 7. De persvrijheid wordt niet aangetast c.q. onrechtmatig beperkt door de eis van zorgvuldigheid in de berichtgeving. Deze eis is, met een verwijzing naar lid 2 art. 10 EVRM Pro, de keerzijde van de vrijheid.
Sub 4faalt eveneens, omdat het aangevallen oordeel berust op een waardering van aan de feitenrechter voorbehouden feiten en omstandigheden.
Sub 5, voorzover al dragend voor de beslissing in deze, miskent dat zorgvuldig onderzoek, zeker bij een verdenking als in het onderhavige geval, kan meebrengen dat men bepaalde uitlatingen van horen zeggen niet publiceert zolang daarover niet meer zekerheid is verkregen. M.m. geldt hetzelfde voor
sub 6: bij een diepgaander onderzoek hadden bepaalde feiten of bepaalde twijfels eerder en beter boven tafel kunnen komen.
Sub 8is een herhaling van de klacht van onderdeel I, sub 1c onder 1 en faalt om dezelfde redenen.
Onderdeel Kheeft betrekking op de kwestie van de al dan niet rehabilitatie van [verweerder] (r.o. 7.10 jo 7.9 en r.o. 7.17). Het hof heeft geoordeeld dat de vraag of, zoals Het Parool stelt, [verweerder] zich ten onrechte op rehabilitatie beroept geen bespreking meer behoeft. Daarenboven, zo voegt het hof toe, mist de verdenking van Het Parool feitelijke grondslag. Onderdeel K valt alleen dit laatste aan. Mitsdien heeft Het Parool bij de bespreking van dit onderdeel geen belang. Voorzover
sub 1wel (ook) gericht mocht zijn tegen het eerste argument in de beslissing van het hof, faalt het om dezelfde redenen als onderdeel I sub 2, waarnaar het verwijst.
Onderdeel Lbestrijdt r.o. 7.18, waarin het hof Het Parool verwijt de verdenking van roofmoord te hebben ingekleed in de scherpe tegenstelling tussen hetzij verzetsdaad hetzij roofmoord, waarbij geen rekening is gehouden met de voor de hand liggende nuances noch met de vanzelfsprekende complexiteit van een situatie van onderduik en verzet. Het hof verwijst daarbij naar het gratie-advies van de toenmalige minister van justitie, die zich deze nuances wel heeft gerealiseerd.
Onderdeel M. Dat het hof waarde hecht aan de verklaringen van de historicus Van der Leeuw is onjuist noch onbegrijpelijk. Dat de verklaringen van [betrokkene 9] daar niet tegen opwegen, behoefde geen afzonderlijke motivering. De rechter is niet verplicht op alle feiten en stellingen afzonderlijk in te gaan.
Sub 1faalt derhalve.
Sub 2is een herhaling van eerdere klachten, met name die onder D, E en H, en faalt op dezelfde gronden.
Sub 3mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de persvrijheid niet miskend, maar alleen Van der Leeuw aangehaald om te onderstrepen waarop een zorgvuldig handelend journalist bedacht moet zijn bij het verwerken van thans afgelegde verklaringen over de Tweede Wereldoorlog, afkomstig van direct betrokkenen.
Sub 4, voorzover niet louter een herhaling van eerdere klachten, betreft een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken die niet onbegrijpelijk is.
Onderdeel N, sub 1bouwt voort op het voorafgaande en deelt het lot daarvan.
Sub 2onder a is onjuist: het oordeel over wat in het algemeen belang toelaatbaar is bij perspublicaties die de eer en goede naam van personen aantasten - dat hiervan sprake is, staat in casu vast: r.o. 6.2 arrest hof -, is niet aan het (subjectieve) redelijkheidsinzicht van de journalist overgelaten. Daarmee faalt ook de klacht
sub 2 onder b. Zie hierover voorts bij onderdeel D en E, in samenhang met F (jo B sub 1 en 2).
Onderdeel Obestrijdt de kwalificatie van het hof dat - gelet op de voorafgaande r.o. 7.1-7.20, waaronder de hiervoor in nr. 23 van deze conclusie aangeduide factoren a t/m d - de artikelen van Het Parool niet alleen onzorgvuldig zijn, maar ook in onnodig grievende bewoordingen zijn gesteld: moord, (ordinaire) roofmoord. Het onderdeel voert daartoe omstandigheden aan die deze kwalificatie niet zouden rechtvaardigen. Het onderdeel faalt, omdat het berust op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg en waardering van de feiten en omstandigheden, die niet onbegrijpelijk is. Bovendien zijn de omstandigheden die Het Parool noemt allemaal al in de eerdere rechtsoverwegingen door het hof gewogen en niet voldoende bevonden. In zoverre bouwt het onderdeel op deze eerdere klachten voort en faalt het mitsdien ook daarom.
Onderdeel Pacht het (in het licht van de tekst van het artikel) onbegrijpelijk dat het hof ook het artikel van 5 februari 1990 beledigend heeft geoordeeld. Ook deze klacht faalt. Het artikel is een vervolg op dat van 27 januari 1990 en dient dan ook in samenhang daarmee te worden gelezen. De inleiding tot het artikel geeft deze samenhang zelf aan, terwijl ook de “koppen” op elkaar aansluiten: Een moord in de [a-straat] resp. Dossier van de moord in de [a-straat] .
Onderdeel Oricht zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen de verklaring voor recht van het hof in r.o. 11.2.1 dat de artikelen in Het Parool van begin 1990 beledigend zijn jegens [verweerder] Het onderdeel stelt dat het hof tot dit oordeel is gekomen zonder te hebben vastgesteld dat Het Parool het oogmerk tot belediging had. De klacht mist feitelijke grondslag. Vergelijk r.o. 6.2 en 6.3 van het arrest, waarin overwogen is dat in appel slechts aan de orde is de vraag of Het Parool gehandeld heeft “in het algemeen belang zodat het oogmerk van belediging ontbreekt”. Indien dan vervolgens het hof oordeelt dat het beroep van Het Parool op het algemeen belang niet opgaat, staat daarmee procesrechtelijk het oogmerk vast. Althans staat dit in het onderhavige geval vast nu niet is gebleken - en er in cassatie ook niet over wordt geklaagd - dat het hof in strijd met zijn taak als appelrechter voorbij is gegaan aan andere op het oogmerk tot belediging betrekking hebbende en niet prijsgegeven weren uit de eerste aanleg.
Onderdeel Rfaalt, omdat de verklaring voor recht dat de artikelen van 27 januari, 5 februari en 24 februari 1990 beledigend zijn jegens [verweerder] , precies betrekking heeft op wat het onderdeel vermeldt: de gehanteerde terminologie, te weten moord, (ordinaire) roofmoord, en de onhoudbare tegenstelling tussen verzetsdaad en roofmoord.
Onderdeel Sbouwt voort op het voorafgaande en faalt om die reden.
Onderdeel T. Het hof verwijst naar het bewijsaanbod van Het Parool tijdens het pleidooi in appel. Dat aanbod had betrekking op het bewijs dat [verweerder] met opzet de afhandeling van zijn aanvrage voor een verzetspensioen heeft vertraagd en dat de Stichting 1940-1945 daaraan heeft meegewerkt. Het hof is derhalve, anders dan het onderdeel
sub 1betoogt, even duidelijk als Het Parool zelf is geweest.
Sub 2mist feitelijke grondslag.
Onderdeel U, sub 1bevat slechts een inleiding.
Sub 2 en 3bouwen voort op hetgeen eerder al tevergeefs betoogd is.
Sub 4onder a en b falen reeds omdat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding niet betwist is.