Conclusie
BV Machinefabriek Breda v/h Backer & Rueb
NV Electriciteitsbedrijven Zuid-Holland
Onderdeel 1berust op, kort gezegd, de stelling dat de dagvaarding van 24 januari 1990 als "non-existent" heeft te gelden, althans als volstrekt dan wel van rechtswege nietig, althans als een dagvaarding die (volstrekt) niet is uitgebracht aan degene voor wie de oproeping is bestemd. Daartoe wordt met name in
onderdeel 1.2betoogd dat aan die dagvaarding een wezensbestanddeel ontbrak, te weten de "citatie ofwel oproeping om voor de rechter te verschijnen" en dat, vooral in verband met de effectuering van die oproeping, een dagvaarding alleen dan rechtens als zodanig kan gelden althans worden aangemerkt indien deze proceshandeling (in casu de aanzegging van het appel) daadwerkelijk wordt verricht tot de (in appel) als zodanig gedaagde wederpartij
endat het exploit deze heeft
bereikt, waarmee volgens het onderdeel gelijk moet worden gesteld het geval dat zulks is uitgebleven als gevolg van voor zijn risico komende omstandigheden. Het onderdeel betoogt voorts, kort gezegd, dat dit ook geldt in het geval van betekening aan de procureur bij wie de geïntimeerde in de eerste aanleg laatstelijk domicilie heeft gekozen.
Onderdeel 2komt met verscheidene klachten op tegen het in r.o. 7 en 8 gemotiveerde oordeel van het hof dat herstel op de voet van art. 92 Rv Pro in dit geval mogelijk was.