ECLI:NL:PHR:1994:38
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kwalificatie verkrachting versus feitelijke aanranding van de eerbaarheid
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de arrondissementsrechtbank vernietigd en de verzoeker veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Verzoeker stelde in cassatie dat de dagvaarding nietig verklaard had moeten worden vanwege een formele tekortkoming bij de betekening, maar dit verweer werd door het hof en de Hoge Raad verworpen.
De kern van het geschil betrof de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit: of het ging om verkrachting (art. 242 Sr Pro) of feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr Pro). De Hoge Raad bespreekt de verhouding tussen deze artikelen, waarbij art. 242 Sr Pro sinds 1 december 1993 niet langer als specialis van art. 246 Sr Pro wordt gezien. Dit betekent dat het seksueel binnendringen van het lichaam onder art. 242 Sr Pro valt en niet automatisch onder art. 246 Sr Pro.
De conclusie is dat de officier van justitie als dominus litis mag bepalen of een bepaald feit als verkrachting of als feitelijke aanranding wordt vervolgd. De eerdere jurisprudentie die art. 242 Sr Pro als specialis van art. 246 Sr Pro zag, is achterhaald door wetswijzigingen die verkrachting binnen het huwelijk strafbaar stelden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.
Deze uitspraak verduidelijkt de strafrechtelijke kwalificatie van seksuele delicten en benadrukt de zelfstandige positie van art. 242 Sr Pro ten opzichte van art. 246 Sr Pro, wat gevolgen heeft voor vervolgingsbeleid en strafrechtelijke beoordeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf voor verkrachting wordt bevestigd.