ECLI:NL:HR:1994:ZC9873

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 1994
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
97.981
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Haak
  • Beekhuis
  • Bleichrodt
  • Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • Schipper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 246 SrArt. 55 SrArt. 350 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad herkwalificeert feitelijke aanranding als verkrachting onder nieuw art. 242 Sr

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld voor verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De verdachte werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Het cassatieberoep van de verdachte richtte zich tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bewezenverklaarde feit onjuist had gekwalificeerd. Het hof had het feit gekwalificeerd als feitelijke aanranding van de eerbaarheid op grond van art. 246 Sr Pro, terwijl het feit volgens de Hoge Raad kwalificeert als verkrachting onder art. 242 Sr Pro, zoals dat sinds 1 december 1993 luidt. Dit omdat het bewezenverklaarde handelde over het seksueel binnendringen van het lichaam met seksuele strekking, namelijk het dwingen van het slachtoffer tot orale seks.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie en de toepassing van art. 246 Sr Pro, en kwalificeerde het bewezenverklaarde als verkrachting. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de strafrechtelijke kwalificatie aangepast aan de gewijzigde wetsbepaling, zonder dat de straf zelf werd teruggedraaid.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor de kwalificatie en kwalificeert het bewezenverklaarde als verkrachting onder art. 242 Sr.

Uitspraak

22 november 1994
Strafkamer
nr. 97.981
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 1993 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen van 2 november 1993 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te
[woonplaats].

.1.De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 april 1993 – de verdachte ter zake van 1. “verkrachting” en 2. “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf.

2.. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr P.A.M. Hoek, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3..De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4..Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

5..Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

5.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 overeenkomstig de telastelegging bewezenverklaard dat:
hij op 2 maart 1992 te Amsterdam door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij die [slachtoffer] door zijn elleboog onder de keel van die [slachtoffer] te drukken en die [slachtoffer] toe te voegen: “Hou je kalm” en zijn geslachtsdeel in de mond van die [slachtoffer] te drukken gedwongen hem, verdachte, te pijpen.
Het Hof heeft het aldus bewezenverklaarde gekwalificeerd als “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, strafbaar gesteld bij art. 246 Sr Pro.
5.2.
Zoals de HR heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 februari 1994, NJ 1994, 379, omvat de in art. 242 Sr Pro gebezigde term “seksueel binnendringen van het lichaam” ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking. Nu door het Hof is bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer heeft gedwongen hem te pijpen door onder meer zijn geslachtsdeel in haar mond te drukken had het Hof het bewezenverklaarde moeten kwalificeren als “verkrachting”, strafbaar gesteld in art. 242 Sr Pro.
5.3.
Aan het voorafgaande kan niet afdoen dat de Officier van Justitie kennelijk – de kwalificatieve aanduiding van het feit in de telastelegging duidt daarop – de bedoeling heeft gehad de verdachte te vervolgen voor het misdrijf van art. 246 Sr Pro. Dit laatste zou hem op zichzelf overigens hebben vrijgestaan, nu art. 242 Sr Pro, zoals het is komen te luiden na de inwerkingtreding op 1 december 1993 van de Wet van 9 oktober 1992, Stb. 519, niet is een bijzondere bepaling die de rechter moet toepassen ook indien het feit zoals dit is telastegelegd en bewezenverklaard oplevert feitelijke aanranding van de eerbaarheid als bedoeld in art. 246 Sr Pro.

6..Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, en de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak anders dan uit het hiervoor onder 5.2 overwogene volgt behoort te worden vernietigd, dient te worden beslist als volgt.

7..Beslissing

De Hoge Raad:
Vernietigt het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde en de aanhaling van art. 246 Sr Pro;
Kwalificeert het onder 2 bewezenverklaarde als “verkrachting”;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Beekhuis, Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Schipper in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op
22 november 1994.