ECLI:NL:PHR:1995:26
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onverbindendheid van art. 2a Pachtnormenbesluit 1977 wegens strijd met Pachtwet en Waterschapswet
Deze zaak betreft de vraag of artikel 2a van het Pachtnormenbesluit 1977 onverbindend is omdat het in strijd zou zijn met hogere regelgeving, namelijk de Pachtwet en de Waterschapswet. Artikel 2a regelt dat de pachtprijs kan worden verhoogd met maximaal 50% van de waterschapslasten indien de pachter geen pachtersomslag verschuldigd is. De eiser betoogt dat deze bepaling strijdig is met art. 14 lid 1 Pachtwet Pro, die bedingen verbiedt waarbij lasten van publiekrechtelijke lichamen geheel of gedeeltelijk op de pachter worden afgewenteld, en met de strekking van de Waterschapswet.
De feitelijke achtergrond betreft een geschil tussen een pachter en een gebruiker van landbouwgrond die een bruikleenovereenkomst heeft gesloten. De gebruiker weigert waterschapslasten te betalen aan de pachter, stellende dat art. 2a onverbindend is. De rechtbank verklaarde echter dat art. 2a niet onverbindend is, mede omdat de bepaling onderdeel uitmaakt van de normering van de hoogst toelaatbare pachtprijs en het verschil in zeggenschap tussen pachters die rechtstreeks of indirect waterschapslasten betalen een gevolg is van de wettelijke regeling.
De Hoge Raad bevestigt dat art. 2a Pachtnormenbesluit niet in strijd is met art. 14 Pachtwet Pro of met de Waterschapswet. De trits belang-betaling-zeggenschap uit de Waterschapswet is een leidraad maar geen absolute rechtsregel die elke vorm van lastentoerekening aan pachters zou verbieden zonder stemrecht. Het onderscheid tussen pachters met directe en indirecte lastentoerekening is een gevolg van de wetgeverlijke keuze en niet onrechtmatig. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verbindendheid van art. 2a.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en art. 2a Pachtnormenbesluit 1977 wordt als verbindend bevestigd.