Uitspraak
29 september 1995.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of artikel 2a van het Pachtnormenbesluit 1977 onverbindend is omdat het in strijd zou zijn met hogere regelgeving, namelijk artikel 14 lid 1 van Pro de Pachtwet en bepalingen uit de Waterschapswet. De zaak betrof een geschil tussen partijen over de vergoeding van waterschapslasten in een bruikleenovereenkomst betreffende landbouwgrond.
De Rechtbank had geoordeeld dat artikel 2a niet onverbindend was en wees de geldvordering af. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat artikel 14 lid 1 Pachtwet Pro niet beoogt te verbieden dat geldelijke lasten bij de bepaling van de pachtprijs worden betrokken, maar slechts wil voorkomen dat de verpachter onberekenbare lasten geheel op de pachter afwentelt. Artikel 2a is ingevoerd om rekening te houden met de nieuwe situatie waarin pachters rechtstreeks door het waterschap aangeslagen kunnen worden.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het systeem van artikel 2a niet strijdig is met het uitgangspunt van de Waterschapswet dat degenen die bijdragen aan de kosten van het waterschap zeggenschap moeten hebben. De wet kent hieraan geen onverkorte toepassing toe. Het beroep in cassatie werd verworpen en de kosten werden aan de zijde van de verweerder begroot op nihil.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en artikel 2a van het Pachtnormenbesluit 1977 wordt als verbindend bevestigd.