Conclusie
[eiser 3]
voorshandsgegeven oordeel.
Het hof behoudt zich voor, op dat oordeel terug te komenvoor het geval deze stellingen zouden komen vast te staan.’’ (curs. tgv. JBMV)
Onderdeel 1betoogt dat de aard en de strekking van de garanties die partijen in het onderhavige geval zijn overeengekomen, niet meebrengen dat reeds het enkele aan- of afwezig zijn ervan een tekortkoming (wanprestatie) oplevert. Volgens het onderdeel verplichten in casu de garanties bij niet-vervulling slechts tot het betalen van schadevergoeding. Dientengevolge schieten [eisers] pas tekort indien zij, na schending van de garanties, hun contractuele plicht tot het betalen van schadevergoeding niet nakomen.
onderdeel 1, maar ook de motiveringsklachten van
onderdeel 2 en 3. De
onderdelen 4 en 5missen feitelijke grondslag.
onderdeel 8stellen, heeft het hof dit betoog niet verworpen, maar vooralsnog niet sterk genoeg geacht om reeds op die grond de mogelijkheid van een ontbinding af te wijzen. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd door er op te wijzen dat [verweerster] de bedoelde stelling van [eisers] heeft betwist en voorts dat de situatie in appel een andere was geworden dan ten tijde van het vonnis van de rechtbank omdat Provamo inmiddels was gefailleerd. Kortom, de juistheid en de (relatieve) zwaarte van de factor ‘’de ernst van de gevolgen bij ontbinding’’ heeft het hof nog niet definitief vastgesteld. In de gegeven stand van de procedure behoefde het hof dat ook nog niet te doen. Daarmee faalt ook de klacht in onderdeel 8 van het middel dat het hof de juistheid van de stelling van [eisers] volgens de regels van het bewijsrecht al in zijn tussenarrest had moeten bepalen.
onderdelen 6-10alle op het voorgaande stuklopen en geen verdere bespreking behoeven.