Uitspraak
26 januari 1996.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal een koopovereenkomst van aandelen in Provamo Holding B.V., waarbij de verkopers garanties hadden verstrekt over de naleving van wet- en regelgeving door de werkmaatschappij Provamo. Na ontdekking van illegale lozingen en een illegale bron, en het faillissement van Provamo, vorderde de koper ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding wegens wanprestatie.
De rechtbank wees de ontbindingsvordering af omdat de verkopers bereid en in staat waren hun garantieverplichtingen na te komen en de koper zich bewust was van het risicovolle karakter van de overgenomen onderneming. Het hof stelde echter vast dat de verkopers tekort waren geschoten en dat ontbinding gerechtvaardigd kon zijn, maar liet bewijslevering toe om de stellingen van partijen nader te onderzoeken.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is omdat het hof zich de mogelijkheid voorbehoudt om terug te komen op zijn voorlopige beslissingen, waardoor deze niet als eindbeslissingen kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad veroordeelde de eisers tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het hof zich het voorbehoud maakte om terug te komen op zijn voorlopige beslissingen.