ECLI:NL:PHR:1995:AA1588
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale behandeling van discontorente bij kasbiljetten en wissels
In deze zaak stond centraal de fiscale behandeling van het verschil tussen de aankoopprijs en de nominale waarde van kasbiljetten, uitgegeven door een bank, die in feite een vergoeding voor rente (discontorente) vertegenwoordigt. De belanghebbende had kasbiljetten gekocht en was naar Italië geëmigreerd, waar het verschil bij aflossing niet belast werd. De vraag was of in de aankoopprijs een aftrekbare rente was begrepen en of artikel 27, lid 1, Wet IB 1964 deze aftrek verhinderde.
De Hoge Raad analyseerde de juridische aard van kasbiljetten en wissels, waarbij werd vastgesteld dat deze waardepapieren in economische zin rente bevatten, ook al zijn zij juridisch gezien niet rentedragend. De Raad ging uitgebreid in op de historische en fiscale achtergrond, waaronder het wisselrecht, het Besluit IB 1941 en de Wet IB 1964, en concludeerde dat het systeem van toerekening van discontorente over de bezitsperiode van de houder geldt.
Het hof had geoordeeld dat de koper van kasbiljetten geen recht heeft op aftrek van meegekochte rente, en dat de verkoper belast wordt naar rato van de bezitsperiode. Hoewel enkele klachten tegen het hof gegrond waren, leidde dit niet tot cassatie omdat de regeling van artikel 27 Wet Pro IB 1964 correct werd toegepast. De Hoge Raad verwierp het beroep van de belanghebbende en bevestigde de fiscale behandeling van discontorente zoals toegepast door het hof.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt verworpen en de fiscale behandeling van discontorente bij kasbiljetten wordt bevestigd.