Uitspraak
[A], laatstelijk wonende te
[Z], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 9 mei 1978 betreffende de aan genoemde [A] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1975;
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de fiscale behandeling van mantels van obligaties die door de erflater in 1972 zijn gekocht. De Inspecteur had het verschil tussen de nominale waarde en de aankoopprijs als belastbaar inkomen aangemerkt, stellende dat dit verschil als discontorente moest worden gezien. Het hof had dit oordeel bevestigd en het vermoeden gehanteerd dat het verschil rente als disconto inhield.
De erven van de overledene stelden in cassatie dat het hof het juridische karakter van de mantels miskende door deze gelijk te stellen aan renteloze schuldvorderingen en dat de waardestijging geen belastbare rente kon zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het vermoeden van rente als disconto toepaste, omdat de mantels het bloot eigendom van de obligaties vertegenwoordigen en het vruchtgebruik bij anderen verbleef.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en de uitspraak van de Inspecteur en stelde vast dat de waardestijging van de mantels niet als inkomen uit vermogen belast kan worden, maar moet worden aangemerkt als een onbelaste vermogensmutatie. De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van f 93.134,--, rekening houdend met reeds erkende elementen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van f 93.134,--, waarbij de waardestijging van mantels niet als belastbaar inkomen wordt aangemerkt.