ECLI:NL:PHR:1995:AA1640
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing fictief rendement en uitzonderingsbepaling beleggen in Wet IB 1964
In deze zaak heeft de belanghebbende cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem dat het beroep van de belanghebbende op de uitzonderingsbepaling van artikel 29a, lid 4, Wet IB 1964 verwierp. De belanghebbende stelde dat de feitelijke werkzaamheden van de vennootschap A aanmerkelijk verschillen van beleggen, waardoor het fictief rendement niet van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de betekenis van het begrip 'beleggen' en de uitzonderingsbepaling. Daarbij wordt benadrukt dat beleggen en daarmee overeenkomende werkzaamheden het normale particuliere vermogensbeheer omvatten, terwijl de uitzondering ziet op vennootschappen die feitelijke werkzaamheden verrichten die aanmerkelijk verschillen van beleggen, wat een kwalitatieve en kwantitatieve toets inhoudt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het vierde lid van artikel 29a Wet IB 1964 niet heeft miskend en dat risico's voortvloeiend uit speculatieve transacties niet leiden tot het aannemen van aanmerkelijk verschillende werkzaamheden. Ook het feitelijke oordeel dat circa 60% van de bezittingen van A uit beleggingen bestond, wordt als niet onbegrijpelijk bevestigd.
Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de aangevoerde gronden niet tot cassatie kunnen leiden. Daarmee blijft de toepassing van het fictief rendement op de aandelen in A in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het fictief rendement blijft van toepassing.