ECLI:NL:HR:1995:AA1640
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing fictief rendement op buitenlandse beleggingsvennootschap ondanks beroep op uitzondering
Belanghebbende was in beroep gegaan tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991, waarbij een fictief rendement werd toegerekend aan zijn certificaten in een op Curaçao gevestigde vennootschap (A). Het Hof Arnhem handhaafde de aanslag, stellende dat de vennootschap grotendeels beleggingen hield en dat de werkzaamheden niet wezenlijk afweken van beleggen.
In cassatie stelde belanghebbende dat de vennootschap onder de uitzondering van artikel 29a lid 4 Wet IB 1964 viel, omdat haar feitelijke werkzaamheden aanmerkelijk verschillen van beleggen. De Hoge Raad oordeelde dat lid 4 een kwalitatieve maatstaf hanteert en dat de vennootschap, die transacties op termijnmarkten verricht en vermogen belegt, niet wezenlijk verschilt van beleggen.
De Hoge Raad verwierp het beroep, bevestigde het oordeel van het Hof en gelastte de Staatssecretaris het griffierecht te vergoeden. De procedurekostenveroordeling werd afgewezen. Hiermee blijft de aanslag gehandhaafd en wordt de fictieve rendementsheffing toegepast op de aandelen in de buitenlandse vennootschap.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aanslag met fictief rendement op de buitenlandse vennootschap.