ECLI:NL:PHR:1995:AA1676
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogensaftrek bij vennootschapsbelasting en de kwalificatie van houdstermaatschappijen als onderneming of belegging
Deze zaak betreft een cassatieberoep van X N.V. tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam over de toepassing van vermogensaftrek in de vennootschapsbelasting 1987. X N.V. hield voornamelijk schatkistpapier, vorderingen en deposito's aan en voerde geen andere activiteiten uit dan het beheren van deze bezittingen. Het geschil draait om de vraag of X als onderneming kwalificeert of slechts als beleggingslichaam, hetgeen bepalend is voor de aftrek van vermogensbestanddelen.
De belanghebbende stelde dat haar activiteiten niet als beleggen kunnen worden aangemerkt omdat het vermogen dienstbaar was aan de onderneming van haar moedermaatschappij B, onder meer doordat het vermogen als onderpand diende voor bankactiviteiten van B. De Inspecteur betwistte dit en stelde dat X slechts vermogen beheerde zonder ondernemingsactiviteiten, en dat het risico en rendement wezenlijk waren voor normaal vermogensbeheer.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de activiteiten van X als beleggen moesten worden aangemerkt en dat aanwijzingen bestonden dat X meer dan beleggen verrichtte. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof. De zaak bevat uitgebreide jurisprudentie en wetsgeschiedenis over de begrippen beleggen, onderneming en houdstermaatschappijen in het vennootschapsbelastingrecht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling en beslissing over de vraag of X N.V. als onderneming kwalificeert voor vermogensaftrek.