ECLI:NL:HR:1995:AA1676
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat vennootschap met risicomijdend vermogensbeheer geen onderneming drijft voor vennootschapsbelasting
De zaak betreft een beroep in cassatie van X N.V. tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de vennootschapsbelasting voor het jaar 1987. X N.V. had een aanslag opgelegd gekregen op een belastbaar bedrag van ruim 33 miljoen gulden, welke na bezwaar en beroep door het Hof werd bevestigd. De vennootschap hield voornamelijk schatkistpapier, obligaties, deposito's en vorderingen binnen een concernstructuur, zonder personeel en zonder andere activiteiten dan het beheren van deze activa.
Het Hof oordeelde dat de feitelijke werkzaamheid van X N.V. beperkt was tot risicomijdend vermogensbeheer en dat dit niet verder ging dan normaal vermogensbeheer, waardoor zij niet als onderneming werd aangemerkt in de zin van artikel 8, lid 2, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het middel van cassatie stelde dat het Hof ten onrechte geen rekening had gehouden met de positie van X binnen het concern, maar de Hoge Raad bevestigde dat voor de heffing van vennootschapsbelasting moeder- en dochtervennootschappen als zelfstandige belastingplichtigen worden beschouwd, en dat de bijzondere verhouding binnen het concern daarbij geen betekenis heeft.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de activiteiten van X N.V. niet meer waren dan beleggen van vermogen, ook al diende een deel van het vermogen als onderpand voor activiteiten van de moedermaatschappij. De uitspraak benadrukt dat voor de beoordeling van ondernemerschap in de vennootschapsbelasting uitsluitend moet worden gekeken naar de activiteiten van de vennootschap zelf en niet naar haar positie binnen het concern.
De zaak bevat uitgebreide jurisprudentie en wetsgeschiedenis over het onderscheid tussen beleggen en het drijven van een onderneming, de toepassing van de ondernemingsvrijstelling en de fiscale behandeling van houdstermaatschappijen binnen concernstructuren. De Hoge Raad sluit aan bij eerdere uitspraken dat een vennootschap die geen eigen bedrijfsactiviteiten verricht en uitsluitend risicomijdend vermogen beheert, niet als onderneming wordt aangemerkt.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 27 september 1995, waarbij het beroep werd verworpen en het geding werd verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat X N.V. geen onderneming drijft voor de vennootschapsbelasting.