ECLI:NL:PHR:1995:AA3131
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over invloed huwelijksgemeenschapsverdeling op successierecht
De zaak betreft de vraag of bij de heffing van successierecht moet worden uitgegaan van het gehele vermogen van de huwelijksgemeenschap of slechts de helft daarvan, na het overlijden van de erflaatster die kort voor haar overlijden in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd.
De Hoge Raad bevestigt dat voor het successierecht beslissend is wat civielrechtelijk tot de nalatenschap behoort op het moment van overlijden. Dit betekent dat de gewijzigde gerechtigdheid van de deelgenoten in de huwelijksgemeenschap, vastgesteld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vóór het overlijden, bepalend is voor de omvang van de nalatenschap.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wetsartikelen, en benadrukt dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen invloed heeft op de belastingplicht voor het successierecht. Eventuele afwijkingen in de verdeling die na het overlijden plaatsvinden, kunnen mogelijk wel gevolgen hebben, maar die situatie doet zich hier niet voor.
Het cassatiemiddel wordt ongegrond verklaard en het beroep verworpen, waarmee wordt bevestigd dat de civielrechtelijke situatie op het moment van overlijden leidend is voor de fiscale heffing.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat de civielrechtelijke gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap op het moment van overlijden bepalend is voor de heffing van successierecht.