Conclusie
Korte beschrijving van de zaak
Ontvankelijkheid in cassatie
going concernin het algemeen maar een beperkte betekenis voor de berekening van de waarde.’’ [27]
Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel A
subonderdelen 1–4dienen ter inleiding en bevatten geen klacht.
Subonderdeel 5is gericht tegen de motivering van ro. 3.5. van het bestreden arrest. Aldaar heeft het hof, voortbouwend op ro. 3.4., overwogen dat de waarde van de uit te kopen (certificaten van) aandelen zou kunnen worden bepaald op de koerswaarde per 1 maart 1991 (iets minder dan ƒ 57,-), omdat niet gesteld of gebleken was dat zich bij INV feiten hebben voorgedaan die dit uitgangspunt zouden ondergraven.
Onderdeel B
Subonderdeel 3voert aan dat, indien de door het hof gevolgde methode van waardebepaling in abstracto al toelaatbaar zou zijn, deze dat in het onderhavige geval niet was. Waardebepaling op basis van de werkelijke of de intrinsieke waarde zou nl. tot een hogere uitkomst leiden.
Subonderdeel 4van onderdeel B betoogt dat het oordeel van het hof dat het de thans door ING te betalen prijs kan vaststellen op de waarde per 1 maart 1991 zich niet verdraagt met het oordeel dat de waarde zou zijn af te leiden uit de beurskoers van een bepaalde datum, nu die datum immers in het verleden ligt.
Onderdeel C
Subonderdeel 1°betoogt dat niet begrijpelijk is dat de mededeling van de Raad van Bestuur over de waarde van de aandelen niet bepalend is omdat geen bod in contanten was gedaan. Deze mededeling kon juist bij gebreke van een dergelijk bod duidelijkheid over de waarde verschaffen.
Subonderdeel 2°klaagt dat onduidelijk is waarom het hof verwijst naar de slotkoersen van Nationale-Nederlanden op de beurs van Amsterdam in de periode 1 januari tot 1 maart 1991, nu [eiseres 1] onweersproken had gesteld dat haar aandelenbezit in drie generaties was opgebouwd en zij niet voornemens was de (certificaten van) aandelen binnen 30 jaar te verkopen, alsmede dat de koers van de aandelen in 1991 op een dieptepunt stond.
Subonderdeel 3°klaagt dat in het licht van de betwisting door [eisers] van de beurskoers als (enige) maatstaf voor de uitkoopprijs niet zonder meer uit de evenwichtigheid van de ruilverhouding van de betrokken (certificaten van) aandelen in relatie tot de waarde van de betrokken ondernemingen kan worden afgeleid dat de waarde in geld zou overeenkomen met de werkelijke waarde van de aandelen (ook de aandelen ING zouden nl. op de beurs te laag gewaardeerd zijn geweest).
Subonderdeel 3°stuit wederom af op het in afdeling 3 van deze conclusie betoogde.
allebetrokken effecten boven de beurskoers ligt, merk ik nog het volgende op.
Onderdeel D
Onderdeel E
Subonderdeel 1voert aan dat ING bij dagvaarding geen concreet aanbod voor een prijs heeft gedaan, zodat [eisers] niet konden beoordelen of het al dan niet verantwoord was verstek te laten gaan.
Subonderdeel 2wijst er op dat ING na een eerder gestelde waarde van ƒ 56,90 op de repliek van [eisers] heeft erkend dat het ‘’niet onredelijk’’ was de waardestijging van de uit te kopen (certificaten van) aandelen in 1991 en 1992 aan de uit te kopen aandeelhouders ten goede te laten komen, hetgeen uiteindelijk leidde tot de door het hof overgenomen bepaling van de waarde bij pleidooi op ƒ 98,32. In het kader van een procedure tot gedwongen uitkoop had dit tot een kostenveroordeling ten laste van ING moeten leiden, aldus [eisers].
Conclusie