ECLI:NL:PHR:1996:3

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 1996
Publicatiedatum
7 september 2017
Zaaknummer
102.32
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 423.1 SvArt. 423.2 SvArt. 6.1 EVRMArt. 433 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling nietigheid bij niet-naleving van art. 51 Sv in strafzaak rijden onder invloed

In deze zaak is aan de verdachte door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij verstek een straf opgelegd wegens tweemaal rijden onder invloed. De verdediging stelde cassatie in met het middel dat art. 51 Sv Pro niet was nageleefd, omdat een raadsvrouwe zich had gesteld in eerste aanleg en de politierechter de zaak ten onrechte bij verstek had afgedaan zonder nader onderzoek.

De correspondentie die dit zou ondersteunen was niet in het dossier gevoegd, wat aanleiding gaf tot twijfel over de naleving van art. 51 Sv Pro. Eerdere jurisprudentie (HR NJ 83, 707; HR NJ 1988, 838; NJ 1991, 546) toonde cassatie bij niet-naleving van dit artikel.

De conclusie van de Procureur-Generaal nuanceert dit echter op basis van de post-Lala-rechtspraak, waarbij het verschil tussen het niet verwittigen van de raadsman/-vrouwe en het niet verlenen van het woord aan een aanwezige raadsman/-vrouwe als niet wezenlijk wordt gezien. Beide situaties leiden ertoe dat de verdachte zich niet kan verdedigen, maar terugwijzing is niet altijd noodzakelijk.

De conclusie adviseert daarom het cassatieberoep te verwerpen, omdat geen gronden zijn gevonden om het arrest ambtshalve te vernietigen of terug te verwijzen naar de politierechter.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks niet-naleving van art. 51 Sv in eerste aanleg.

Conclusie

Nr. 102.320
Zitting 20 februari 1996
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Aan verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij verstek straf opgelegd wegens tweemaal rijden onder invloed.
2. Namens verzoeker heeft mr A.A. Franken, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat art. 51 Sv Pro niet is nageleefd: uit de correspondentie gehecht aan de schriftuur zou blijken dat zich in eerste aanleg een raadsvrouwe heeft gesteld zodat de politierechter de zaak ten onrechte bij verstek en in afwezigheid van de raadsvrouwe heeft afgedaan; deswege had het hof de zaak evenmin zonder nader onderzoek dienaangaande bij verstek mogen afdoen.
4. De thans overgelegde correspondentie bevindt zich niet bij de ingevolge art. 433 Sv Pro opgezonden stukken. Zij geeft echter wel voet aan de gedachte dat bedoelde brieven ten onrechte niet in het dossier zijn gevoegd (de griffie heeft dit inmiddels telefonisch bevestigd). Op grond daarvan zou kunnen worden aangenomen dat in eerste aanleg het met nietigheid bedreigde voorschrift van art. 51 Sv Pro niet is nageleefd.
5. In HR NJ 83, 707 is in een enigszins vergelijkbaar geval gecasseerd; zie ook HR NJ 1988, 838 en NJ 1991, 546. Met mijn ambtgenoot Fokkens (conclusie bij HR DD 95.338 en Trema 1995, blz. 32) meen ik echter dat de post-Lala-rechtspraak van de Hoge Raad (HR 3 januari 1995, NJ 1995 nr. 517 nt AHJS, HR DD 95.163 en DD 95.171) noopt tot relativering van de nietigheid op het verzuim van art. 51 Sv Pro. Tussen het niet-verwittigen van de raadsman/-vrouwe van de zitting (met als gevolg dat deze niet in de gelegenheid is het woord tot verdediging te voeren) en het niet-verlenen van het woord aan de wel aanwezige raadsman/-vrouwe, bestaat immers geen wezenlijk verschil. In beide gevallen mist de verdachte de mogelijkheid zich te doen verdedigen. Het ware onlogisch in het ene geval terugwijzing naar de eerste aanleg te verlangen en in het andere geval niet. Dat betekent dat hof -het vonnis in eerste aanleg, zij het op een andere grond, vernietigend- in casu niet gehouden was de zaak terug te wijzen naar de politierechter; zie ook HR DD 95.343.
6. Het middel behoeft derhalve, hoewel het terecht klaagt over niet-naleving van art. 51 Sv Pro in eerste aanleg, niet te leiden tot vernietiging van het in hoger beroep gewezen arrest. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,