ECLI:NL:PHR:1996:36
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid fouillering bij bezit vuurwapen op openbare weg
Verzoeker werd door het gerechtshof veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op de openbare weg. Hij stelde cassatie in met het middel dat het hof onrechtmatig bewijs gebruikte omdat het bewijs voortkwam uit een onrechtmatige fouillering.
De Hoge Raad overwoog dat de bevoegdheid tot fouillering niet berustte op het genoemde artikel 49 WWM Pro in het proces-verbaal, maar op artikelen 51 en 52 WWM. Het hof heeft terecht die onjuiste verwijzing buiten beschouwing gelaten. De rechter kan zelfstandig vaststellen op grond van welke wettelijke bepalingen de fouillering bevoegd was.
De Hoge Raad verduidelijkte dat het begrip 'ernstige bezwaren' in artikel 52 WWM Pro niet alleen de mate van verdenking betreft, maar ook de aard van het feit, waarbij het bedreigende karakter van vuurwapenbezit vrijwel altijd leidt tot het aannemen van ernstige bezwaren. Gelet op een recent RCID-rapport en de omstandigheden van de nachtelijke controle, was het hof gerechtvaardigd te oordelen dat ernstige bezwaren bestonden.
Zelfs als dat anders zou zijn, was er geen ernstig vermoeden van onrechtmatig handelen, omdat de politie ook bevoegd was tot veiligheidsfouillering op grond van artikel 33a Politiewet. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht geoordeeld dat de fouillering rechtmatig was en ernstige bezwaren bestonden.