Uitspraak
[woonplaats].
18 februari 1997.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een revolver en bijbehorende munitie op de openbare weg te Rotterdam. De verdachte werd aangehouden na een stopteken en een onderzoek aan zijn kleding, waarbij het vuurwapen en munitie werden aangetroffen.
De verdachte stelde dat er sprake was van een onrechtmatige fouillering, omdat het onderzoek aan zijn kleding niet rechtmatig zou zijn geweest. De Hoge Raad oordeelde dat de fouillering plaatsvond op grond van artikel 52, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), waarbij opsporingsambtenaren een kledingonderzoek mogen verrichten indien ernstige bezwaren bestaan. Het hof had terecht aangenomen dat dergelijke ernstige bezwaren aanwezig waren, mede gelet op een RCID-rapport en aandachtsvestiging dat de personen in de auto als vuurwapendragers werden beschouwd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de fouillering en de veroordeling van de verdachte tot vier maanden gevangenisstraf wegens het bezit van een revolver en munitie zonder vergunning op de openbare weg.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatie en bevestigde veroordeling tot vier maanden gevangenisstraf wegens bezit revolver en munitie zonder vergunning.