Conclusie
ius cogensbeschouwd, dat andere verdragsverplichtingen opzij zet.
dissenting opinionheeft gegeven. Bovendien verwijst de rechtbank naar beschuldigingen van Amnesty International aan het adres van de Turkse overheid. Het een en ander brengt de rechtbank ertoe de minister van justitie te adviseren de uitlevering niet te effectueren.
en zonder voorbehoud in de richting van het ius cogens moet uitvallen, andere belangen, zoals die van de verzoekende staat, ten spijt. In zo een geval is het de rechter die de knoop moet doorhakken, niet de minister van justitie.
ius cogensdie geen uitzondering kent. Het recht op vrijwaring van marteling is een aanspraak zonder enig voorbehoud [4] . Het verbod op marteling in art. 3 EVRM Pro onttrekt zich daarom naar mijn mening aan enige afweging. Waar het recht om niet te worden gemarteld in het geding is, valt er voor niemand iets af te wegen of te nuanceren. Een door feiten ondersteund beroep op — in elk geval —
dezeregel van dwingend recht zal niet door de bestuurlijke overheid, maar door de rechter moeten worden beoordeeld. Het is precies de taak van de rechter de absolute voorrang, die deze regel van
ius cogens‘’van nature’’ heeft, tot zijn recht te laten komen. Politieke overwegingen behoren in een geval als dit geen enkele rol te spelen. Het in het middel verdedigde standpunt zou ik willen onderschrijven, met dien verstande dat met behoud van de regel, die in de rechtspraak is gesteld, deze regel voor een geval als dit wordt genuanceerd, in deze zin dat de uitleveringsrechter, wanneer hij op basis van de hem bekende informatie vaststelt of, zoals kennelijk hier het geval is, aannemelijk acht dat de opgeëiste persoon al is gefolterd (of zal worden gefolterd), de
rechtsvraag— over zo een vraag, en niet over een beleidsvraag, gaat het bij deze niet voor een compromis vatbare regel van dwingend recht — van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in negatieve zin behoort te beantwoorden. Heeft de rechter voor zijn oordeel ter aanvulling van het aan hem voorgelegde materiaal behoefte aan nadere gegevens, dan kan hij zijn beslissing aanhouden in afwachting van informatie van de verzoekende staat (vgl. HR NJ 1981, 47), die hem desgevraagd door tussenkomst van de minister van justitie zal worden gegeven.