Conclusie
Onderdeel Ivan het middel keert zich tegen r.o. 5 en 8 en betreft het oordeel van het Hof met betrekking tot de onder (c) bedoelde vraag. Het onderdeel klaagt dat het Hof niet ermee mocht volstaan te onderzoeken of, indien [verzoeker] wel aan zijn mededelingsplicht zou hebben voldaan, hij in aanmerking zou zijn gekomen voor een (aanvullende) RWW-uitkering, maar ook had moeten onderzoeken of [verzoeker] in aanmerking zou zijn gekomen voor een andere uitkering krachtens een tot de ABW behorende uitvoeringsregeling.
Onderdeel IIbetreft het oordeel van het Hof met betrekking tot de onder (b) bedoelde vraag en klaagt onder a dat het Hof zijn oordeel, in r.o. 8, dat [verzoeker] was aan te merken als zelfstandige in de zin van art. 1 lid 2 van Pro het (oude) Bijstandsbesluit Zelfstandigen onvoldoende heeft gemotiveerd, althans is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip zelfstandige in de zin van dat Besluit.
Onderdeel IIIis opgebouwd uit vier subonderdelen en betreft het oordeel van het Hof met betrekking tot de onder (c) bedoelde vraag. Het onderdeel verwijt het Hof ten onrechte de vraag in het midden te hebben gelaten of [verzoeker] voor zijn werkzaamheden voor de V.O.F. inkomsten heeft ontvangen (r.o. 8).
Onderdeel IVbetreft het oordeel van het Hof met betrekking tot de onder (a) bedoelde vraag. Het onderdeel acht de beslissing van het Hof, in r.o. 9, dat geen aanleiding bestaat om de vordering van de Gemeente te beperken tot de datum waarop [verzoeker] aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, te weten 9 augustus 1990, onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel Vvan het middel komt in twee subonderdelen op tegen de door het Hof uitgesproken kostenveroordeling.
Subonderdeel V.aklaagt dat het Hof ten onrechte [verzoeker] heeft verwezen in de kosten van het geding in cassatie. Volgens het subonderdeel stond het het Hof niet vrij daarover een beslissing te geven.
Subonderdeel V.bklaagt dat het Hof ten onrechte [verzoeker] heeft veroordeeld in de kosten van de bij de Rechtbank gevoerde appelprocedure en in de kosten van de procedure na verwijzing. Aangezien de Rechtbank in de appelprocedure geen kostenveroordeling heeft uitgesproken, miskent het Hof het beginsel van verbod van reformatio in peius, dat in het onderhavige geval meebrengt dat [verzoeker] met zijn beroep niet uiteindelijk in een slechtere positie mag komen te verkeren dan in de oorspronkelijke beslissing in appel is neergelegd, door [verzoeker] thans in de kosten van de appelprocedure en van de procedure na verwijzing te veroordelen, aldus het subonderdeel.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep, voor zover gericht tegen de beschikking van het Hof van 23 februari 1996, en tot vernietiging van de beschikking van het Hof van 22 maart 1996 en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als is aangegeven onder 23.