ECLI:NL:PHR:1996:AA1741
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardering en aftrekbaarheid van belastingschulden bij successie
De zaak betreft de waardering van aandelen in een BV binnen een nalatenschap en de aftrekbaarheid van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting bij de berekening van het successierecht. De erfgenamen en de inspecteur verschillen van mening over de waarde van onroerende zaken die de intrinsieke waarde van de aandelen bepalen. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd op basis van een hogere waardering dan de erfgenamen aanhouden.
Het hof heeft de waarde van de onroerende zaken vastgesteld en de aandelenwaardering daarop aangepast, maar hield rekening met de door de inspecteur geheven inkomstenbelasting. De Hoge Raad onderzoekt of de aftrek van de belastingschuld op grond van art. 20, derde lid, onderdeel b, Successiewet 1956 alleen mogelijk is indien er een recht op ontheffing bestaat, of dat een kans op ontheffing volstaat.
De conclusie is dat alleen een recht op ontheffing aftrekbaar is, niet een kans daarop. Daarnaast wordt besproken of een vorderingsrecht tot teruggaaf van belasting tot de nalatenschap behoort en hoe dit moet worden gewaardeerd. De Hoge Raad overweegt dat als er slechts een kans is en deze niet is gerealiseerd, aftrek niet kan plaatsvinden en successierechtheffing op basis van art. 1 Sw Pro. 1956 niet aan de orde is.
De conclusie leidt tot vernietiging van het hofarrest voor zover het de aanslagen betreft, met vermindering van de aanslagen tot een lagere belaste verkrijging. De proceskostenveroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslagen tot een lagere belaste verkrijging, waarbij alleen recht op ontheffing aftrekbaar is.