ECLI:NL:HR:1996:AA1741
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrekbaarheid van belastingschulden bij successierecht en recht op teruggaaf
De zaak betreft een geschil over de aftrekbaarheid van een inkomstenbelastingschuld bij de heffing van successierecht over een nalatenschap. De erfgenamen hadden aandelen verkocht en een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd gekregen. De vraag was tot welk bedrag deze schuld in aanmerking moest worden genomen voor de successierechten.
Het Hof had geoordeeld dat het feit dat de inkomstenbelasting was geheven over een hogere waarde dan de economische waarde van de aandelen, geen reden was om de belastingschuld voor het successierecht te verlagen. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat de erfgenamen recht hadden op teruggaaf van een deel van de belasting, waardoor de schuld lager zou moeten zijn.
De Hoge Raad overwoog dat aftrek van belastingschulden niet mogelijk is voor zover ontheffing kan worden verkregen, ongeacht of die ontheffing ook daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Echter, het Hof had niet onderzocht of de erfgenamen daadwerkelijk recht hadden op teruggaaf, wat nader feitelijk onderzoek vereist. In cassatie is daarvoor geen plaats, zodat het middel faalt.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staatssecretaris en handhaafde de aanslagen zoals vastgesteld door het Hof. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de uitleg van artikel 20 lid 3 sub b van Pro de Successiewet 1956 en de toepassing van artikel 65 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.