ECLI:NL:PHR:1996:AA1778
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrek buitengewone lasten voor levensonderhoud van niet-erkende onwettige kinderen afgewezen
De belanghebbende, een Nederlandse belastingplichtige, maakte in zijn aangifte inkomstenbelasting 1991 aanspraak op aftrek van ƒ 13.940,- als buitengewone lasten voor levensonderhoud van zijn in Suriname wonende kinderen. Deze kinderen waren onwettig en niet erkend door de belanghebbende. De Inspecteur weigerde de aftrek, wat door het Hof werd bevestigd omdat de kinderen niet als 'eigen kinderen' of bloedverwanten in rechte lijn werden beschouwd volgens artikel 46 Wet Pro IB 1964.
In cassatie betoogde de belanghebbende onder meer dat hij de kinderen mondeling had erkend volgens Surinaams recht, maar dit werd niet tijdig ingebracht en het Hof had terecht geoordeeld dat de kinderen niet erkend waren. De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'eigen kinderen' civielrechtelijk moet worden uitgelegd en dat niet-erkende onwettige kinderen niet onder deze definitie vallen.
Daarnaast onderzocht de Hoge Raad ambtshalve of de aftrek wellicht op grond van artikel 45 Wet Pro IB 1964 kon worden verleend, waarbij onderhoudsuitkeringen aan niet-erkende onwettige kinderen onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar kunnen zijn. De belanghebbende had echter onvoldoende gesteld dat de verstrekkingen onderdeel waren van een reeks periodieke uitkeringen, zodat ook op die grond de aftrek niet toekwam.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de aftrek van buitengewone lasten niet kan worden toegekend voor de niet-erkende onwettige kinderen van de belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aftrek van buitengewone lasten voor niet-erkende onwettige kinderen wordt geweigerd.