Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Leeuwardenvan 5 November 1962 betreffende den hem opgelegden aanslag tot navordering van loonbelasting over het tijdvak van 14 April 1960 tot 16 Juni 1962;
Hoge Raad
Belanghebbende, voormalig inwoner van Indonesië, maakte aanspraak op kinderaftrek voor twee biologische kinderen die hij niet had erkend en die uit een niet-wettelijk huwelijk waren geboren. Het Gerechtshof bevestigde dat deze kinderen niet onder het begrip 'eigen kinderen' in het Besluit op de Loonbelasting 1940 vallen, waardoor de navorderingsaanslag terecht was opgelegd.
Het Hof baseerde zich op de uitleg van het Burgerlijk Wetboek, waarin onwettige niet-erkende kinderen geen burgerlijke betrekkingen met hun vader hebben. De Hoge Raad bevestigde dat de belastingwetgever deze burgerrechtelijke begrippen heeft gevolgd en dat de regeling van kinderaftrek niet bedoeld is voor niet-erkende natuurlijke kinderen.
Belanghebbende voerde aan dat de taalkundige betekenis van 'eigen kinderen' ook deze kinderen omvat en dat het onbillijk is geen kinderaftrek te verlenen bij samenwoning en daadwerkelijke verzorging. De Hoge Raad verwierp dit en stelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de wettelijke regeling geen aanspraak op kinderaftrek voor deze kinderen toelaat.
De navorderingsaanslag werd gehandhaafd en het cassatieberoep verworpen, waarmee de uitspraak van het Hof definitief werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat niet-erkende natuurlijke kinderen niet in aanmerking komen voor kinderaftrek in de loonbelasting.