ECLI:NL:PHR:1996:AA1822
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over korting verontreinigingsheffing wegens ingenomen vervuiling oppervlaktewater
De zaak betreft een geschil over de toepassing van een korting wegens ingenomen vervuiling bij de verontreinigingsheffing op oppervlaktewater. Belanghebbende, een bedrijf dat oppervlaktewater inneemt en weer loost, vordert een hogere korting dan het Hoofd van het bureau verontreinigingsheffing rijkswateren toekent. Het hof had geoordeeld dat de korting alleen kan worden toegekend binnen de beleidsregel van de Minister, die een redelijk en billijk resultaat nastreeft, en dat de berekeningsmethode van het Hoofd daaraan voldoet.
De Hoge Raad bespreekt de wettelijke grondslagen, waaronder de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO) en het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren (UVR). De Raad oordeelt dat de korting wegens ingenomen vervuiling niet kan worden gebaseerd op artikel 17 WVO Pro, maar dat de Minister krachtens artikel 63 AWR Pro bevoegd is om onbillijkheden weg te nemen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de berekeningsmethode van het Hoofd een redelijk en billijk resultaat oplevert, met name met betrekking tot de dubbele inachtneming van de concentratieverhoging van vervuilende stoffen.
De Hoge Raad verklaart het tweede cassatiemiddel deels gegrond en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing over de juiste berekening van de korting wegens ingenomen vervuiling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor herbeoordeling van de korting wegens ingenomen vervuiling.