ECLI:NL:PHR:1996:AA1922
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van voorziening voor toekomstige asbestschadeclaims in inkomstenbelasting 1989
Belanghebbende, een onderneming gespecialiseerd in asbestverwijdering, wilde voor het belastingjaar 1989 een voorziening vormen voor mogelijke toekomstige schadeclaims van (ex-)werknemers die ziek zouden kunnen worden door asbest.
Het gerechtshof Amsterdam wees dit af omdat het niet aannemelijk was dat er een behoorlijke kans bestond dat belanghebbende aansprakelijk zou worden gesteld. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat voor het vormen van een voorziening een redelijke of behoorlijke kans op het ontstaan van verplichtingen moet bestaan.
De Hoge Raad verwees uitgebreid naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis over de voorwaarden voor passivering van verplichtingen en het vormen van voorzieningen, waarbij het criterium van een 'behoorlijke kans' centraal staat. Zonder een dergelijke kans mag geen voorziening ten laste van de winst worden gevormd.
In deze zaak was bovendien vastgesteld dat belanghebbende altijd de vereiste veiligheidsmaatregelen had genomen en dat tot op de zitting geen enkele werknemer aansprakelijk had gesteld. Hierdoor ontbrak de noodzakelijke feitelijke grondslag voor het vormen van een voorziening.
Het middel van belanghebbende werd verworpen, waarmee het beroep in cassatie faalde.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen omdat geen behoorlijke kans bestond op toekomstige aansprakelijkheid voor asbestschade.