ECLI:NL:PHR:1997:AA2234
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelasting 1990: passivering reorganisatiekosten en bestaande rechtsverhouding met werknemers
De zaak betreft de vraag of een vennootschap in 1990 een voorziening van ƒ 1.500.000,- voor reorganisatiekosten ten laste van de winst mocht brengen. De vennootschap had in het najaar van 1990 al te maken met tegenvallende resultaten en voerde gesprekken over een strategie-onderzoek en mogelijke ontslagen.
Het Hof Arnhem oordeelde dat er op 31 december 1990 nog geen bestaande rechtsverhouding bestond waaruit een verplichting tot betaling van reorganisatiekosten voortvloeide, en wees de aftrek van de voorziening af. De Hoge Raad stelt dat het Hof deze rechtsregel miskend heeft, omdat er wel sprake was van een dienstbetrekking met werknemers op de balansdatum en een redelijke kans bestond dat verplichtingen zouden ontstaan.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Hof voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het oordeel over het bestaan van een rechtsverhouding en de toelaatbaarheid van de passivering nader moet worden onderzocht. De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van eerdere jurisprudentie over passivering, bestaande rechtsverhoudingen en goed koopmansgebruik.
De zaak illustreert de strikte voorwaarden waaronder voorzieningen voor toekomstige kosten in de fiscale winstberekening mogen worden opgenomen, met nadruk op het bestaan van een juridische verplichting of een redelijke kans daarop op balansdatum.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof Arnhem en verwijst zaak terug voor nadere behandeling over passivering reorganisatiekosten 1990.