ECLI:NL:PHR:1997:16
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening militaire zaak wegens erkenning gewetensbezwaren dienstweigering
Op 11 oktober 1993 maakte de aanvrager zich schuldig aan overtreding van art. 139 Wetboek Pro van Militair Strafrecht (dienstweigering). Hij werd in hoger beroep veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem en het cassatieberoep werd door de Hoge Raad verworpen op 25 juni 1996.
Na het arrest van de Hoge Raad erkende de Minister van Defensie de aanvrager op 14 mei 1996 als gewetensbezwaarde in de zin van art. 2 Wet Pro gewetensbezwaren militaire dienst. Deze erkenning vormde een omstandigheid die, indien bekend geweest vóór het arrest, tot vernietiging van het arrest en niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie had geleid.
De Hoge Raad oordeelt dat dit een omstandigheid betreft die zich na het arrest heeft voorgedaan, maar die toch aanleiding geeft tot herziening. De Hoge Raad verklaart daarom de aanvraag gegrond en verklaart de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn vervolging, waarbij de zaak zelf wordt afgedaan zonder nader feitenonderzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens erkenning van gewetensbezwaren.