Uitspraak
[woonplaats].
24 juni 1997.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem de aanvrager veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf wegens weigering militaire dienst te verrichten. De aanvrager heeft vervolgens een aanvraag tot herziening ingediend bij de Hoge Raad, gebaseerd op een beschikking van de Minister van Defensie waarin zijn bezwaren tegen militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren zijn erkend.
De Hoge Raad overwoog dat indien deze beschikking bekend was geweest vóór het arrest van 25 juni 1996, het Hof-arrest vernietigd zou zijn en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou zijn in de vervolging. Dit betreft een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sv.
Gezien het feit dat na verwijzing van de zaak geen andere beslissing mogelijk is dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, heeft de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afgedaan. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, behalve voor zover het vonnis van de Rechtbank was vernietigd, en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Deze uitspraak bevestigt het belang van erkenning van ernstige gewetensbezwaren in militaire dienst en de gevolgen daarvan voor strafvervolging wegens dienstweigering.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens erkenning van ernstige gewetensbezwaren.