Conclusie
(Antilliaanse zaak)
Zitting 16 mei 1997
Conclusie inzake
- In de maand april 1987 koopt [verweerder] van [A] N.V., verder te noemen [A] , het perceel bekend als [a-straat 1] , […], Nederlandse Antillen , zoals nader beschreven in meetbrief 45/1987; hij betaalt 1/4 van de koopsom van US$ 80.000,- en komt overeen het restant te voldoen in maandelijkse termijnen van US $ 1.992,38.
- Na betaling van 9 termijnen in betalingsmoeilijkheden gekomen, tracht [verweerder] - althans zo stelt hij - met instemming van [A] een andere koper in zijn plaats te vinden.
- Dan koopt [eiseres] het litigieuze perceel (rechtstreeks) van [A] voor US$ 47.000,-; zie rechtsoverweging 5 van het in zoverre niet bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof. In cassatie wordt niet bestreden 's Hofs overweging dat de waarde van het perceel ten tijde van de verkrijging door [eiseres] nog steeds US$ 80.000,- bedroeg; het Hof gaat daarbij kennelijk ervan uit - ik kom daarop nog terug - dat [eiseres] het perceel voor US$ 47.000,- heeft verkregen omdat [verweerder] aan [A] reeds een bedrag van US$ 37.935,74 had betaald.
Het Gemeenschappelijk Hof laat bij tussenvonnis van 1 september 1995 [verweerder] toe tot het bewijs van zijn stelling dat tussen hem en [eiseres] een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de verkoop van het recht op levering van het litigieuze perceel, althans dat de onderhandelingen hierover met [eiseres] zich in een zodanig stadium bevonden dat [eiseres] niet buiten hem ( [verweerder] ) om een overeenkomst met [A] N.V. had mogen sluiten.
Bij eindvonnis van 19 april 1996 concludeert het Gemeenschappelijk Hof dat [verweerder] niet in dat bewijs is geslaagd. Anders dan het Gerecht in Eerste Aanleg oordeelt het Gemeenschappelijk Hof in de volgende overwegingen echter dat wel degelijk sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Overwogen wordt:
5. (...) Aangenomen wordt derhalve dat [eiseres] het in de overdrachtsakte vermelde bedrag van US$ 47.000,- als koopsom heeft voldaan.
Overigens is de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de verrijking van de een en de verarming van de ander niet altijd eenvoudig te beantwoorden. In art. 6:212 BW Pro is geen criterium gegeven ter beantwoording van de vraag of in een bepaald geval de verrijking al dan niet ten koste van een ander is geschied; zie de Toelichting bij art. 6:212 (art. 6.4.3.1), Parl. Gesch. Boek 6, p. 829, waar wordt opgemerkt dat deze kwestie ter beoordeling van de rechter wordt gelaten.
omdat[verweerder] aan [A] reeds het bedrag van US$ 37.935,74 had voldaan. In zoverre gaat middelonderdeel 2b uit van een juiste lezing van 's Hofs vonnis en middelonderdeel 2a van een onjuiste lezing.
In de hiervoor genoemde overwegingen van het Hof ligt als het ware reeds besloten het oordeel dat de verrijking is gegaan "ten koste van" [verweerder] doordat [eiseres] heeft "geprofiteerd" van de betaling die [verweerder] reeds had verricht met het oog op zijn verkrijging van het litigieuze perceel.
Vervolgens wordt door het Hof overwogen dat de "verarming" van [verweerder] moet worden gesteld op US$ 37.935,74 omdat - door de verkoop en overdracht door [A] aan [eiseres] - aan [verweerder] de mogelijkheid is ontnomen om zijn recht op levering voor dat bedrag aan een derde te verkopen. Overwogen wordt dat de met de verarming van [verweerder] verband houdende verrijking ongerechtvaardigd is, een kwalificatie waartegen in cassatie geen klacht is gericht. Expliciet wordt overwogen dat aan toewijzing van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet in de weg staat dat voor [verweerder] in beginsel ook de mogelijkheid openstaat om langs een andere weg - namelijk van [A] - zijn schade vergoed te krijgen; daarmee brengt het Hof tot uitdrukking dat de actie uit ongerechtvaardigde verrijking geen "subsidiair" karakter heeft. Daarbij wordt wel aangetekend dat [verweerder] uiteraard zijn volledige schade slechts eenmaal vergoed behoort te krijgen.
In de schriftelijke toelichting wordt gesteld dat dit middelonderdeel niet wil betogen dat de actie uit ongerechtvaardigde verrijking slechts een subsidiair karakter heeft. De in het middel vervatte klacht komt echter naar mijn oordeel toch neer op de stelling dat geen plaats is voor toewijzing van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ingeval de mogelijkheid openstaat om langs een andere weg zijn verarming ongedaan te maken. Met Asser-Hartkamp, a.w., nr. 355, ben ik van oordeel dat deze stelling althans in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard. Daarop stuit de in het middel vervatte klacht reeds af. Ik verwijs in dit verband ook naar het voorbeeld genoemd in het verslag van het MO II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 825, vijfde alinea. Uit deze passage meen ik te mogen afleiden dat ook in het systeem van het huidige Nederlandse vermogensrecht geldt dat aan toewijzing van een vordering uit ongegronde verrijking niet in de weg staat de omstandigheid dat de schade ook op een derde verhaald zou kunnen worden.
In het onderhavige geval doet zich overigens wel de bijzonderheid voor dat [verweerder] niet alleen [eiseres] doch ook - zij het voorwaardelijk - [A] heeft aangesproken ter zake van zijn verarming en dat de voorwaardelijke vordering tegen [A] door het Gerecht in Eerste Aanleg ook is toegewezen, zij het met de overweging dat de vordering tegen [eiseres] was afgewezen zodat de voorwaarde waaronder de vordering was ingesteld was vervuld. Door het middel wordt echter niet betoogd dat deze omstandigheid het Hof had behoren te weerhouden van toewijzing van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.
Mijns inziens moet onderdeel 2b dan ook falen op dezelfde gronden als onderdeel 1.