Uitspraak
27 juni 1997.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de tweede koper van een perceel grond ongerechtvaardigd verrijkt was ten koste van de eerste koper, nadat de verkoper het perceel aan de tweede koper overdroeg terwijl de eerste koper reeds een deel van de koopsom had betaald.
De eerste koper had een koopovereenkomst gesloten met de verkoper en een deel van de koopsom voldaan. De verkoper verkocht het perceel vervolgens aan een derde, de tweede koper, die een lagere koopprijs betaalde. Hierdoor werd het voor de verkoper onmogelijk om aan de eerste koper de eigendom over te dragen, wat leidde tot wanprestatie jegens de eerste koper.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste koper slechts een vordering tot schadevergoeding tegen de verkoper heeft, maar dat dit niet uitsluit dat de tweede koper gehouden kan zijn tot vergoeding van de schade die de eerste koper lijdt door de verrijking van de tweede koper. Er is een causaal verband tussen de verarming van de eerste koper en de verrijking van de tweede koper, zodat de vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking gegrond is.
Het beroep van de eerste koper werd verworpen, waarmee het hofvonnis dat de tweede koper tot betaling veroordeelde in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de eerste koper wordt verworpen en de tweede koper wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade wegens ongerechtvaardigde verrijking.