ECLI:NL:PHR:1997:AA3341
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering vermogensinkomsten bij buitenlands belastingplichtige na fiscale verzelfstandiging gehuwden
De zaak betreft een geschil over een navorderingsaanslag opgelegd aan een belanghebbende die na verhuizing naar Spanje als buitenlands belastingplichtige werd beschouwd. De man en de belanghebbende waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hadden Nederlandse vermogensinkomsten uit verhuurde onroerende zaken in Nederland.
De inspecteur had aanvankelijk het volledige bedrag van de vermogensinkomsten bij de man belast, maar na een gerechtelijke uitspraak werd vastgesteld dat de man slechts voor de helft belast mocht worden. Vervolgens legde de inspecteur aan de belanghebbende een navorderingsaanslag op voor haar aandeel in de vermogensinkomsten.
De belanghebbende voerde aan dat navordering niet was toegestaan op grond van art. 16 AWR Pro, dat de inspecteur niet bevoegd was en dat de navordering in strijd was met het vertrouwensbeginsel. Het hof handhaafde de navordering primair op art. 16 lid 2 sub b AWR Pro. De Hoge Raad bevestigt dat deze bepaling een ruime reikwijdte heeft en ook toelaat dat navordering plaatsvindt bij onjuiste toerekening van vermogensbestanddelen, ook als dit niet strikt een toedelingsfout betreft.
De Hoge Raad wijst het beroep af en benadrukt dat het beroep op gewekt vertrouwen in dit geval onvoldoende is. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 16 lid 2 sub b AWR Pro in situaties van fiscale verzelfstandiging en buitenlandse belastingplichtigheid van gehuwden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag op de belanghebbende wordt gehandhaafd.