Conclusie
[verzoeker = verdachte]
eerste middelbetoogt dat tussen het moment van instellen van beroep in cassatie en dat van de ontvangst ter griffie van de Hoge Raad bijna tien maanden zijn verstreken. Dit is in strijd met de art. 14 IVBPR Pro en 6 EVRM, meer in het bijzonder de waarborg van berechting binnen redelijke termijn.
tweede middelklaagt erover dat uit de bewijsmiddelen niet een zekere mate van bewustheid van de aanwezigheid van een wapen en van patronen bij verzoeker kan worden afgeleid, althans dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd.
bij de Hoge Raad der Nederlanden