Conclusie
Onderdeel 2.1— het eerste onderdeel bevat slechts een weergave van de feiten — richt zich met een motiveringsklacht tegen 's hofs oordeel dat niet kan worden aangenomen dat [verweerster] en [eiseres] een samenwerkingsverband met elkaar zijn aangegaan waaruit voor beide partijen rechten en plichten voortvloeien.
geenbijzondere voorzieningen heeft getroffen.
Onderdeel 2.2richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen 's hofs oordeel dat uit de door [eiseres] gestelde feiten evenmin valt af te leiden dat [verweerster] zich niet alleen tegenover de kopers, maar ook tegenover [eiseres] heeft verplicht om de bewuste voorzieningen te treffen. Aangevoerd wordt dat er sprake was van toezeggingen, dat [eiseres] erop mocht vertrouwen dat de gemaakte afspraken zouden worden nagekomen en dat [eiseres] ook belang had bij een correcte uitvoering.
onderdeel 2.3wordt nog betoogd dat voor toewijsbaarheid van de schadevergoedingsvordering niet noodzakelijk van een samenwerkingsverband sprake hoeft te zijn, daar ook denkbaar is dat [verweerster] zich bij eenzijdige overeenkomst ten opzichte van [eiseres] verbond om de werkzaamheden uit te voeren. Uit het voorgaande vloeit voort dat ik 's hofs oordeel, dat impliceert dat in casu ook van een dergelijke overeenkomst geen sprake is, niet onbegrijpelijk acht.
onderdelen 2.4 en 2.5lopen op het voorgaande vast: wat in de onderdelen aan grondslagen voor gebondenheid wordt bepleit is geenszins ondenkbaar, maar stuit af op 's hofs — op de waardering van de stellingen van partijen gebaseerde — andersluidende uitleg van hun relatie.
onderdeel 2.6, gericht tegen r.o. 4.6 in fine, speelde de redelijkheid en billijkheid wel degelijk een rol (althans kon zij dit doen) in de hiervoor genoemde, maar door het hof niet aanvaarde, althans niet onderzochte rechtsverhoudingen.
Onderdeel 3.1klaagt over een te beperkte invalshoek van het hof bij de vraag of [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld. Deze klacht mist feitelijke grondslag nu het hof in 4.8 in zijn beoordeling ook de door [eiseres] gestelde zorgplicht van [verweerster] betrekt en de opgewekte verwachting dat [verweerster] deugdelijk werk zou verrichten.
onderdelen 3.2 en 3.3daartegen nog aanvoeren.
met nameniet valt af te leiden dat op [verweerster] een speciale zorgplicht rustte om [eiseres] te behoeden voor schade voor vertraging.
Onderdeel 4tot slot klaagt over het passeren van het bewijsaanbod ‘als zijnde te vaag’. Het hof heeft in r.o. 4.11 overwogen: