Uitspraak
29 mei 1998.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde eiseres een schadevergoeding van verweerster wegens gebrekkige bouwkundige aanpassingen die de plaatsing van zonneranda's bemoeilijkten. Eiseres stelde dat verweerster wanprestatie of onrechtmatige daad had gepleegd in het kader van een feitelijke samenwerking.
De rechtbank en het hof wezen de vordering af, waarbij het hof oordeelde dat geen overeenkomst tussen partijen bestond en dat verweerster geen bijzondere zorgplicht had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom op verweerster geen aansprakelijkheid rustte op grond van onrechtmatige daad en dat het oordeel over het bewijsaanbod onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing, waarbij tevens de kosten van het cassatiegeding aan verweerster werden opgelegd.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug naar hof voor nadere beoordeling van aansprakelijkheid en bewijs.