Conclusie
Zt. 10 april 1998
Tussen partijen staat vast dat in het onderhavige huurcontract niet expliciet wordt genoemd welk bestemming aan het gehuurde is gegeven en verder dat volgens de huurovereenkomst Alog gerechtigd is om het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden onder te verhuren.
Het standpunt van [eiser] dat het gehuurde hierdoor de bestemming van uitsluitend supermarkt had, moet naar het oordeel van de rechtbank worden verworpen. Volgens artikel 7A:1596 BW dient een huurder het gehuurde te gebruiken overeenkomstig de bestemming welke daaraan bij de huurovereenkomst gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang der omstandigheden verondersteld wordt.
Vast staat dat het gehuurde, voordat het aan Alog werd verhuurd, in gebruik was als garage. Voorts is bij pleidooi door het antwoord van [eiser] op een desbetreffende vraag van de rechtbank komen vast te staan dat hij het gehuurde destijds niet uitsluitend als supermarkt ter verhuur heeft aangeboden. Verder staat vast dat door [eiser] bij de aanvang van de huur een lege garageruimte, waaraan door hem niets was veranderd en die geschikt was voor velerlei doeleinden, aan Alog - een onroerend goed-maatschappij en niet een supermarktketen - ter beschikking is gesteld. Het feit dat Alog vervolgens het gehuurde door [A] heeft laten gebruiken als supermarkt, het gehuurde daartoe door Alog of [A] is voorzien van de noodzakelijke - in het onderhavige geval beperkte - winkelinrichting en het gehuurde vervolgens langdurig als supermarkt is gebruikt, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat uitsluitend een supermarktbestemming van het gehuurde verondersteld mag worden. Ook het feit dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst wisten dat in het gehuurde een supermarkt gevestigd zou worden en dat uit het huurcontract kan blijken dat in het gehuurde een supermarkt gevestigd zou worden, brengt dat niet met zich mee."
Onderdeel Ivan het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het standpunt van [eiser] , dat het gehuurde de bestemming van uitsluitend supermarkt had in de zin van art. 7A:1596 BW, heeft verworpen.
Onderdeel IIvan het middel klaagt dat de Rechtbank het door [eiser] bij de memorie van grieven gedane en bij pleidooi herhaalde bewijsaanbod heeft genegeerd.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.