ECLI:NL:PHR:1998:AA2316
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het tijdstip voor berekening van heffingsrente bij belastingteruggave
In deze zaak staat centraal of de vergoede heffingsrente moet worden berekend tot en met de dagtekening van de kennisgeving van belastingteruggave of tot en met de dag van verzending daarvan. Belanghebbende stelde dat de renteperiode verlengd moest worden tot de dag van verzending, terwijl het Hof het geschil ten nadele van belanghebbende beslechtte en de rente berekende tot de dagtekening van de kennisgeving.
De Hoge Raad bevestigt dat de wetgever bij de regeling van heffingsrente heeft gekozen voor een duidelijke en uitvoerbare systematiek waarbij het tijdvak eindigt op de dagtekening van de kennisgeving. Dit sluit aan bij de administratieve praktijk waarbij de dagtekening het moment markeert waarop het proces van terugbetaling wordt ingezet. De datum van ontvangst of verzending is niet bepalend voor het einde van de renteperiode.
De Hoge Raad overweegt dat deze keuze redelijk is en dat het niet aan de rechter is om deze wettelijke regeling uit te breiden of te corrigeren. Ook blijkt uit de wetsgeschiedenis dat aanslagbiljetten niet eerder mogen worden gedateerd dan het moment van uitreiking. Het beroep in cassatie wordt daarom verworpen omdat belanghebbende geen nadeel heeft geleden door de toegepaste regeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de heffingsrente wordt berekend tot en met de dagtekening van de kennisgeving en wijst het cassatieberoep af.