ECLI:NL:PHR:1998:AA2350
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak inzake aftrek lijfrentepremie bij overdracht onderneming aan eigen BV
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden over de aftrekbaarheid van een lijfrentepremie in verband met de overdracht van zijn onderneming aan een eigen BV.
Belanghebbende bracht zijn onderneming in per 1 januari 1993 in een BV en bedong een recht op periodieke uitkeringen (lijfrente) van ƒ 157.884,-. De Inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting 1992, waarop het hof het beroep van belanghebbende afwees. Het hof oordeelde dat de waarde van het ingebrachte vermogen ƒ 113.386,76 bedroeg en dat het verschil met de bedongen lijfrente als onttrekking tot belastbaar inkomen moest worden gerekend.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door een voordeel te constateren dat niet door partijen was aangevoerd en dat het hof de subsidiaire stelling van belanghebbende over het buiten beschouwing laten van een schuld niet heeft behandeld. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor nadere feitenonderzoek en beoordeling van de aftrekbaarheid van de hogere lijfrentepremie.
De Hoge Raad benadrukt dat de stakingslijfrente slechts aftrekbaar is tot het bedrag van de tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming en dat een schuld die aan de BV is overgedragen niet automatisch tot verhoging van de aftrek leidt. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de uitleg van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de stakingslijfrenteregeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor nadere feitenbeoordeling over aftrek lijfrentepremie.