ECLI:NL:PHR:1998:AA2407
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor postdiensten en verkoop van postzegels door particuliere postdienst
De belanghebbende exploiteert een stadspostdienst en betaalde omzetbelasting over de verzending van drukwerk tegen het normale tarief, terwijl hij voor de verkoop van eigen frankeerzegels het verlaagde tarief toepaste, stellende dat het ging om verkoop aan verzamelaars. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij dit niet aannemelijk achtte. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de activiteiten van de belanghebbende onder de vrijstelling van art. 11, lid 1, onderdeel m, Wet OB 1968 vallen.
De zaak omvat een uitgebreide bespreking van de postwetgeving, waaronder het concessiestelsel dat exclusieve vervoersrechten aan PTT Nederland NV verleent, en de Europese Zesde richtlijn omzetbelasting die vrijstelling verleent aan openbare postdiensten. De Hoge Raad bevestigt dat de vrijstelling alleen geldt voor diensten verricht door de houder van de concessie, waarmee particuliere postdiensten worden uitgesloten. De verkoop van postzegels met frankeerwaarde door particuliere postdiensten is niet vrijgesteld volgens de Wet OB 1968, hoewel de Europese richtlijn mogelijk een ruimere vrijstelling kent.
De Hoge Raad concludeert dat de nationale regeling in overeenstemming is met de Europese richtlijn en dat de klachten van de belanghebbende niet tot cassatie kunnen leiden. Wel wordt ambtshalve vastgesteld dat een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet worden gesteld over de uitleg van de richtlijn ten aanzien van de levering van postzegels door particuliere postdiensten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt gesteld over de Europese richtlijn.