Conclusie
De gestelde onrechtmatige daad van PostNL
2.Bespreking van het cassatieberoep
Inleiding
klacht 4worden rechts- en motiveringsklachten gericht tegen het oordeel in rov. 15 dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.
allevorderingen zelfstandig draagt, zodat bij het niet opgaan van klacht 3 geen belang bestaat bij de overige klachten.
onrechtmatige daadoplevert, nu het hof in rov. 14 op het eind de grieven I tot en met XIV verwerpt, waarvan het in rov. 4 aangeeft dat die gericht zijn tegen afwijzing van de vordering op de primaire grondslag onrechtmatige daad. Bij klacht 4 tegen rov. 15 over afwijzing van de vordering op de subsidiaire grondslag
ongerechtvaardigde verrijkingbestaat ook dan nog wel degelijk belang.
duidelijk wat de functie van een postzegel is: het is een betalingsbewijs of kwijting. Voor wie vaak een brief heeft te versturen is het niet efficiënt om telkens een gang naar een postkantoor te moeten maken. Voor een dergelijke persoon is het praktischer om zich al bij voorbaat een aantal postzegels te verschaffen en om de brieven, voorzien van een geldige postzegel, in een brievenbus van PostNL te doen. Aan de hand van de postzegel kan PostNL vaststellen dat het verschuldigde tarief is voldaan.
gebruik van de postzegel als frankeermiddel is evenwel het meest gangbaar: volgens een niet bestreden mededeling van PostNL wordt 95% van de 'verkochte' postzegels binnen één jaar en 99% binnen vijf jaar voor dat doel gebruikt. De laatste guldenzegels zijn in 2001 uitgegeven.
het zich verschaffen van postzegels uitgelegd als een koop en verkoop. Daargelaten of deze uitleg juist is – veeleer lijkt er sprake van een overeenkomst sui generis–, is deze rechtshandeling voltooid met het voldoen van de nominale waarde van de gewenste zegels enerzijds en het overhandigen van de zegels anderzijds.
Het hof volgt NVPH c.s. niet in de visie dat uit die overeenkomst voor PostNL de verbintenis voortvloeit om de postzegels mettertijd als frankeermiddel te aanvaarden.Bij het sluiten van een concrete postvervoersovereenkomst zal PostNL wel een bij voorbaat aangeschafte, geldige postzegel beschouwen als een geldig betaalmiddel ter voldoening van het verschuldigde tarief (naast chartaal of giraal geld) en de postzegel heeft dan tevens de functie van kwijting. Dat vloeit voort uit de
aard van de postzegel, die, in termen van overeenkomstenrecht, ook is uit te leggen als een aanbod (onder voorwaarden) tot het aangaan van een postvervoersovereenkomst. Hieruit volgt dat het hof de stelling van NVPH c.s. verwerpt dat PostNL niet de bevoegdheid heeft de koopovereenkomst eenzijdig te verbreken althans niet na te komen door postzegels ongeldig te verklaren. Van een zodanige situatie is hier geen sprake.
dat PostNL voldoende en geldige motieven had om tot ongeldigverklaring van de guldenzegels over te gaan. Zij heeft als zodanig onder meer genoemd dat deze zegels veel gemakkelijker dan moderne postzegels vervalst kunnen worden en dat vrij recent grootschalige vervalsingen aan het licht zijn gekomen. Daarnaast brengt volgens PostNL een efficiënte en doelmatige controle van de frankering van de circa tien miljoen poststukken, die PostNL gemiddeld per werkdag te verwerken heeft, met zich dat het aantal geldige postzegels beperkt blijft c.q. wordt. Het hof acht de onderbouwing die PostNL omtrent een en ander in de gedingstukken heeft gegeven, toereikend.
bekend mag worden geacht dat Nederlandse postzegels geen onbeperkte geldigheidsduur hebben.Voor tal van postzegels is al bij de uitgifte bekendgemaakt hoe lang zij geldig waren. Voor vele andere zijn later besluiten publiek gemaakt waarin is bepaald wanneer de geldigheid afliep. Verzamelaars van postzegels zullen zich dus, voor zover zij al in de frankeergeldigheid van postzegels geïnteresseerd zijn, realiseren dat (postfrisse) zegels na verloop van jaren niet meer als geldig frankeermiddel kunnen worden gebruikt, en sommigen zal dat welkom zijn omdat dat een positief effect op de waarde van de verzameling kan hebben.
geen ongewoon verschijnsel dat PostNL een besluit heeft genomen om de geldigheidsduur van de guldenzegels af te schaffen, al gebeurde het na de privatisering van de PTT blijkbaar voor het eerst dat een dergelijk besluit viel. Ook het tijdstip waarop het besluit bekend werd gemaakt, kan nauwelijks verwondering wekken: het lag in de rede dat meer dan tien jaar na het afschaffen van de gulden als betaalmiddel ook de guldenzegels op enig moment hun geldigheid als betaal- en frankeermiddel bij het aangaan van een postvervoersovereenkomst zouden verliezen. Het hof volgt PostNL dan ook in het verweer, dat een periode van ruim tien jaar voldoende geacht kan worden om zich van guldenzegels te ontdoen. Daarbij komt dat een mogelijk argeloze bezitter van guldenzegels nog negen maanden extra de tijd heeft gekregen om de zegels op te maken of van de hand te doen.
handel in guldenzegelsis ontstaan doordat handelaars deze aankopen van verzamelaars, tegen een fractie van de nominale waarde, en de zegels vervolgens met winst, maar nog altijd onder de nominale waarde, doorverkopen aan afnemers zoals webshops en verenigingen, die willen besparen op kosten van porti. Deze vorm van
handel is geoorloofd maar staat ver af van de primaire functie van de postzegel: een documentje waarmee op eenvoudige wijze kan worden aangetoond dat de kosten van het bezorgen van een poststuk zijn voldaan.
Aan deze handel zijn de risico's verbonden die gelden voor elke vorm van handel: de omstandigheden kunnen zich wijzigen en men zal daarop moeten inspelen door tijdig de koers te verleggen. PostNL kan niet verweten worden dat als sequeel van de ongeldigverklaring van de guldenzegels ook aan deze handel (vooralsnog) een einde komt. Te verwachten is dat de postzegelhandel op zoek zal gaan naar nieuwe afzetmogelijkheden voor interessante collecties.
dat postzegelverzamelaars ervan mochten uitgaan dat guldenzegels te allen tijde een bodemwaarde ter hoogte van de nominale waarde zouden behouden. Het hof kan daarin niet meegaan. Gewone consumenten zullen, geruime tijd na de invoering van eurozegels, guldenzegels als regel niet van hen willen overnemen uit onwetendheid of onzekerheid over de geldigheid ervan. Handelaren zijn, zo valt af te leiden uit het beweerde 'instorten' van de markt na 28 januari 2013, slechts tot overname bereid zolang zij er handel in zien en zijn dan nog slechts bereid tot het betalen van een fractie van de nominale waarde (in de gedingstukken worden percentages tot 55% van de nominale waarde genoemd). De bedoelde bodemwaarde bestond dus alleen nog voor verzamelaars die bereid en in staat waren de guldenzegels zelf als geldig frankeermiddel toe te passen. Voor wie daartoe niet in staat was c.q. is geldt hetgeen hierboven sub 2.12 is overwogen.
op zich geen contractuele rechten creëertin de vorm van een recht op het sluiten van een briefvervoerovereenkomst of een andere prestatie van de verlener van de universele postdienst [15] . Dat lijkt de hoofdstroom in de door mij onderzochte literatuur en is volgens mij ook de sleutel voor de oplossing van de problemen in onze zaak. Volgens Hartkamp in zijn in de laatste voetnoot bedoelde “legal opinion” bewijst een postzegel dat de vrachtprijs van een te sluiten vervoerovereenkomst geheel of ten dele is betaald, maar schept het geen contractuele rechten. We zagen het Haagse hof in het kortgedingarrest in rov. 2.6 tot eenzelfde analyse komen. Die lijkt (ook) mij het meeste recht te doen aan het vorenbedoelde
sui generis-karakter en daarom juist. Valkhoff zegt het zo: “de postzegel [is]
niet(…) een waardepapier,
nieteen legitimatiepapier en
nieteen kwijting (quitantie). Wat is hij dan wel?
Betaalmiddel in het verkeer met de PTT als zodanig [16] .” Ook Kohler ziet de postzegel als niet meer dan een relatief betaalmiddel jegens de concessiehouder van de universele postdienst [17] . Evenzo Molengraaff [18] .
lijkthij precies te betogen wat de Handelaren in onze zaak aanvoeren:
potentialisals werkwoordsvorm, omdat hij vervolgens een vergelijking trekt met bankbiljetten, die juridisch wel als waardepapieren gelden en in tegenstelling tot postzegels geen relatief, maar een algemeen betaalmiddel zijn. In de destijds geldende Bankwet 1948 was een
wettelijke plicht tot inwisselingvan ongeldige bankbiljetten tegen geldige opgenomen [28] en Valkhoff benadrukt dat zo’n wettelijke omruilplicht voor postzegels niet bestond destijds:
potentialisen deze anders dan bij bankbiljetten voor postzegels ontbrekende wettelijke grondslag, geloof ik dat de besproken uitzondering waar Valkhoff mee begint in ons geval geen opgeld doet. Met andere woorden: zo’n
vorderingsrecht,van de houder van een ongeldig verklaarde postzegel, op de verlener van de universele postdienst
op een equivalente waardebestaat hier volgens mij niet – maar dat is natuurlijk wel een beslispunt in deze zaak.
zo lang deze hun geldigheid hebben behouden, inderdaad als vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW Pro zijn te zien (vorderingsrecht als relatief werkend vermogensrecht) [30] , maar na ommekomst van hun geldigheid in beginsel niet meer. Ik benadruk nogmaals het juridische
sui generiskarakter van postzegels, dat ook deze kwestie ingewikkeld maakt. De aanschaf van een postzegel roept volgens de door mij onderschreven overheersende zienswijze geen contractuele rechten in het leven, zo hebben we gezien. Dat geeft namelijk geen aanspraak op het sluiten van een (brief)vervoerovereenkomst of enige andere prestatie van de verlener van de universele postdienst, zoals het altijd moeten blijven accepteren van die postzegels als frankeermiddel. De postzegel geldt verder als relatief betaalmiddel tegenover die concessiehouder, maar alleen totdat in ons geval PostNL de geldigheid van de betreffende postzegel (bevoegdelijk) herroept. Bij gebreke van een wettelijke omruilplicht, zoals die wel bij bankbiljetten bestaat, bestaat ook geen aanspraak op omruiling bij ongeldigverklaring. Dus in die zin is er dan geen sprake (meer) van een vermogensrecht na ongeldigverklaring (omgeven met de nodige waarborgen als ongeldigverklaring pas lange tijd na laatste uitgave (in ons geval meer dan 11 jaar later) en een vooraankondiging met een “wegplaktermijn” (in ons geval 9 maanden)). Daarop kan dan in mijn visie ook geen inbreuk worden gemaakt. Dat lijkt mij de crux van onze zaak [31] .
prima facieonrechtmatig. Een benadeelde kan bij rechtsinbreuk volstaan met stellen en bewijzen dat er een subjectief recht is en dat daar inbreuk op is gemaakt. Behoudens tegenbewijs is bij een rechtsinbreuk de onrechtmatigheid gegeven. De aangesproken partij kan vervolgens met een beroep op een rechtvaardigingsgrond volgens art. 6:162 lid 2 BW Pro stellen en zo nodig bewijzen dat haar gedraging toch geoorloofd was [38] .
onderdelen A tot en met Dwordt geklaagd dat dit onjuist of onbegrijpelijk is.
bevoegdis om tot ongeldigverklaring over te gaan. Daarmee is de
rechtmatigheidvan die gedraging immers gegeven [50] . Anders gezegd: als een postzegel geen contractuele rechten in het leven roept en alleen een relatief betaalmiddel is in het verkeer met PostNL totdat de geldigheid van de zegel (bevoegdelijk) door PostNL wordt herroepen, dan is er ook geen sprake van inbreuk op een (niet langer bestaand) vermogensrecht indien geen inruilmogelijkheid wordt geboden bij herroeping (en al helemaal niet ruim elf jaar of langer na uitgifte en met een wegplaktermijn van negen maanden na aankondiging, voor welke herroeping PostNL bovendien zwaarwegende redenen had – die zonodig zijn op te vatten als een rechtvaardigingsgrond).
1.1). [de handelaren] hebben gesteld dat postzegels in het verkeer met Post NL een betaalmiddel zijn (onder verwijzing naar mvg 5 [52] , dagvaarding 36 [53] ). Weliswaar hebben [de handelaren] het woord “bezit” gebruikt, maar niet in de door het hof bedoelde zin (mvg 6 [54] ). [de handelaren] hebben met dat gebruik gedoeld op de intrinsieke waarde van een (geldige) postzegel: het vermogensrecht dat bezit van een postzegel in zich bergt (onder verwijzing naar mvg 12, 37, 38, 30 en 85), door hen bij grieven onder 8 “(vermogens)frankeerwaarde” genoemd.
onderdeel B,dat het hof zou hebben miskend dat er sprake is van een inbreuk op een vermogensrecht van de Handelaren in de vorm van een recht op de (vermogens)frankeerwaarde. Het hof heeft die claim immers (impliciet) afgewezen. Volgens de kennelijk ook door het hof aangehangen heersende leer kan de postzegel, zo hebben we gezien, niet als waardepapier, maar waarschijnlijk wel als relatief vermogensrecht worden gekwalificeerd, nu het als relatief betaalmiddel kan worden gebruikt. Het is de vraag of inbreuk op dit relatieve recht voor bescherming van art. 6:162 BW Pro in aanmerking komt, nu het geen absoluut vermogensrecht is. Een relatief betaalmiddel is niet met een absoluut vermogensrecht vergelijkbaar. Ook al zou de postzegel als relatief betaalmiddel wel onder de reikwijdte van art. 1 EP Pro EVRM vallen – aangezien dat in beginsel alle rechten en belangen beschermt die een reële vermogenswaarde vertegenwoordigen – dan nog kunnen de Handelaren hier in het kader van rechtsinbreuk geen beroep op doen nu de bescherming van dit verdrag slechts tussen burger en overheid werkt (en PostNL geprivatiseerd is). Dit alles ligt naar mij voorkomt in het oordeel van het hof besloten en daar komen deze klachten tevergeefs tegen op.
rechtvaardigingsgrondin de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro kunnen zijn bedoeld door het hof. Dergelijke oordelen zijn, zoals we zagen, maar beperkt vatbaar voor toetsing in cassatie en ik denk dat zij deze toets kunnen doorstaan.
A en Bbedoelde stellingen niet heeft behandeld in strijd met art. 24 Rv Pro, dit alsnog moet gebeuren, zodat de beslissing niet in stand kan blijven.
1.13van de procesinleiding in cassatie dat hierom ook rov. 11 rechtens onjuist is, kan dan evenmin slagen.
overige passages van onderdeel Dbegrijp ik als in de eerste plaats aanhakend bij de in het voorgaande verworpen (en kennelijk evenmin door het hof aanvaarde) kwalificatie van een postzegel als een waardepapier [55] en kunnen om die reden evenmin tot cassatie leiden. Er wordt ook een parallel getrokken op een arrest uit 2014 over beltegoeden [56] , maar zonder uitgewerkte redenering en een beslissing van de hoogste Duitse rechter [57] , waaruit volgt dat postzegels naar Duits recht inmiddels wel als waardepapieren worden gezien. Uit de beschouwingen over het rechtskarakter van de postzegel zal duidelijk zijn, dat dit niet de hoofdlijn in de besproken literatuur is en ik deze niet voorsta. In de tweede plaats gaat het vervolg van onderdeel D ervan uit dat een postzegel wel contractuele rechten schept (er zou zelfs sprake zijn van contractsdwang volgens de procesinleiding onder
1.29) in het kader waarvan (ook) opnieuw rov. 11 wordt aangevallen, namelijk de passage dat aankoop of bezit van een postzegel geen recht geeft op een vervoerovereenkomst met PostNL. Dat faalt, omdat dit een juist rechtsoordeel is, zo hebben we gezien.
onderdelen A tot en met Gwordt dit uitgewerkt met rechts- en motiveringsklachten.
geen nadeelheeft bij de toewijzing van de vordering van de Handelaren. Wat daar ook van zij – in rov. 12 overweegt het hof dat PostNL met kracht van argumenten heeft aangetoond dat de door Handelaren gewenste omwisselactie feitelijk nauwelijks mogelijk is en tot bovenmatige kosten zou leiden – hiermee gaan de Handelaren niet in op het standpunt van PostNL dat de Handelaren bij toewijzing van de vordering meer vergoed zouden krijgen dan hun daadwerkelijk geleden schade en waarom dit niet onredelijk zou zijn. Gelet hierop is het met de klacht aangevallen oordeel van het hof alleszins begrijpelijk in mijn ogen.
.
2.12 en 2.13dat dit oordeel rechtens onjuist is omdat het hof heeft miskend dat het op termijn ongeldig verklaren van postzegels door PostNL zonder omruilmogelijkheid te bieden, erop neerkomt dat alle bezitters van Nederlandse postzegels, onder wie [de handelaren], gedwongen worden, op straffe van verval van geldigheid van de desbetreffende postzegels, binnen een door PostNL bepaalde tijd gebruik te maken van hun jegens PostNL uit te oefenen vermogensrechten. Dit betekent een contracteerplicht die naar Nederlands recht niet aanvaard kan worden, waarbij verwezen wordt naar het eerder besproken arrest van het BGH van 11 oktober 2005, XI ZR 395/04, NJW 2006, 54.
2.12van de procesinleiding in cassatie verwijst ook niet naar vindplaatsen uit de gedingstukken in feitelijke instanties.
2.12 en 2.13van onderdeel D kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
2.14 en 2.15van onderdeel D kunnen dat ook niet. De aangevallen passages uit rov. 10 zijn volgens deze klachten onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof de volgende passage bij grieven onder 54 niet (voldoende) in zijn overweging zou hebben betrokken:
nietis gekozen in afstemming met de NVPH in 2001. Hoe dàt dan vertrouwen zou moeten scheppen dat twaalf jaar later in 2013
weleen omruilmogelijkheid zou moeten worden geboden, is een lastig te nemen horde. En anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt in
2.15, is de stelling van de Handelaren bij mva 54 niet dat een omruilmogelijkheid
is geboden, maar dat een omruilmogelijkheid
aan de orde is geweest [68] . Dat is iets heel anders in het kader van de vertrouwensvraag, nu destijds voor een alternatief voor omruiling is gekozen. Daarop ketsen deze klachten af.
3.1) [75] .
3.7dat zou zijn miskend dat in de subsidiaire eis de datum van 28 januari 2013 onmiskenbaar (alleen) van belang is voor de gerechtigheid (“toebehorende”) tot geldige, originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels. Niet wordt toegelicht waaruit volgt dat en hoe het hof dit zou hebben miskend.
3.8 en 3.9van de procesinleiding in cassatie over de datum 1 november 2013.
3.5 en 3.6van de procesinleiding in cassatie wordt geklaagd dat wanneer het hof de primaire eis wel correct heeft gelezen, de afwijzing van die eis niet nader is gemotiveerd, nu de motivering onder rov. 8-12 in de ogen van het hof kennelijk geen argumenten vormen voor de afwijzing in rov. 14. De argumenten zijn volgens de klacht gelet op het gebruik van het woord “overigens” in rov. 14 aanvullende argumenten, waaruit niet valt op te maken waarom het niet toewijsbaar zou zijn dat PostNL verplicht wordt originele, postfrisse en onbeschadigde postzegels om te ruilen.
3.13-3.14van de procesinleiding in cassatie dat het hof onvoldoende aandacht heeft besteed aan dat wat de Handelaren bij grieven onder 116 hebben gesteld, samengevat dat de weigering van PostNL om de guldenzegels in te ruilen niet minder onrechtmatig is jegens de bezitter die pas na 28 januari 2013 de guldenzegels heeft aangeschaft, omdat sprake is van een voortdurende weigering van PostNL om een ruilfaciliteit te bieden. De Handelaren hebben dan ook benadrukt dat geen schade wordt gevorderd maar de opheffing van onrechtmatig handelen.
losvan de vraag wanneer de postzegels (voor of na 28 januari 2013) zijn verkregen. Daarnaast concentreert het hof zich in het oordeel op het
opheffenvan het vermeende onrechtmatig handelen, namelijk het bieden van een omruilmogelijkheid in plaats van het betalen van een schadevergoeding.
3.10-3.12tegen de overweging van het hof dat bij de becijfering in het petitum elke onderbouwing onderbreekt. Het klaagt dat onbelangrijk is “wat de becijfering is van de in dat deel van het petitum genoemde bedragen”. Die bedragen zijn tenslotte expliciet als totaalbedragen genoemd. De daadwerkelijke waarde van de door PostNL te verstrekken geldige postzegels hangt (daardoor) alleen af van de nominale waarde van de door de Handelaren aan te bieden ongeldige verklaarde postzegels (plta hb 41) en is daarom voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de eis niet relevant. Dat onbelangrijk is wat de becijfering is van de in het subsidiaire deel van het petitum genoemde bedragen, volgt overigens ook uit de stellingen van PostNL, waaruit blijkt dat PostNL hoe dan ook zou weigeren brieven te verzenden die met ongeldige postzegels zouden zijn beplakt of ongeldige zegels te ruilen voor geldige (mvg 115, plta hb 39).
elke onderbouwingontbreekt bij de becijfering. De klachten concentreren zich op de beweerdelijke irrelevantie van de becijfering, maar beargumenteren niet dat en waarom onderbouwing bij de becijfering
nietzou ontbreken. Daar stuit dit deel van de klachten op af.
3.2-3.4en
3.15-3.17een beroep op een publiek belang. Dit belang brengt volgens deze klachten mee dat PostNL acties als de onderhavige niet behoort te kunnen frustreren met het argument dat de aandrager niet op tijd over (voldoende) postzegels beschikt om die actie te kunnen instellen, althans niet indien een dergelijke actie nut kan brengen aan alle bezitters van ongeldig verklaarde postzegels (
3.2-3.4, onder verwijzing naar mvg 56 en 102) [78] .
3.15-3.17dat het hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling bij grieven onder 118, waarin is betoogd dat toewijzing van de eis ertoe zal leiden dat PostNL een algehele, ten opzichte van iedereen werkende inruilfaciliteit zal bieden, ter voorkoming van een massaclaim. Enerzijds is de relevantie van deze stelling dat de Handelaren hebben benadrukt dat voor een onoorbaar voordeel aan hun zijde bij toewijzing van eis niet behoeft te worden gevreesd. Anderzijds is de relevantie volgens de klacht dat het niet uitmaakt hoeveel postzegels de Handelaren bezitten en vanaf wanneer. Dit aantal kan nu eenmaal niet het aantal door PostNL uitgegeven verkochte postzegels overstijgen – PostNL kan er dus niet op achteruit gaan.
een verrijkingheeft plaatsgevonden
.Onder verrijking verstaat men elke toevoeging aan een vermogen. Ten tweede moet de verrijking
ten koste van een anderzijn. Naar Nederlands recht is de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een schadevergoedingsvordering, onderworpen aan de regels van afdeling 6.1.10 uit boek 6 BW. Dit betekent dat de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom kan toekennen (art. 6:103 BW Pro), zoals een “omruilvordering” gelijk in onze zaak gevorderd. De schadevergoeding wordt verder beperkt door de hoogte van de verrijking en door de redelijkheid. Tegenover verrijking van de één staat verarming van de ander. Bestanddelen van het ene vermogen zijn dan als het ware toegevoegd aan het vermogen van de ander. Daarbij moeten de begrippen “vermogen” en “vermogensbestanddelen” ruim worden opgevat. De verrijking dient daarnaast
ongerechtvaardigdte zijn. Een verplichting tot vergoeding van vermogensvermeerdering ontstaat pas indien voor het behouden daarvan geen redelijke oorzaak of rechtvaardigingsgrond aanwezig is.
rechtvaardigingvoor de ongeldigverklaring door PostNL. Daarmee wordt onmiskenbaar gedoeld op rov. 6 en de terugverwijzing daarin naar de door het hof onderschreven redenering van de rechtbank in rov. 4.14 op dit punt (voldoende zwaarwegende redenen in de vorm van fraudepreventie en efficiënte en doelmatige frankeringscontrole). Daarmee is in de ogen van het hof immers al geen sprake van
ongerechtvaardigdeverrijking (zo van verrijking al sprake van is, hetgeen volgens het hof blijkens de eerdere passages uit rov. 15 overigens niet het geval is – en nog daargelaten, zo valt daar aan toe te voegen, of sprake is van causale verarming van de Handelaren in de in art. 6:212 BW Pro bedoelde zin).
4.1wordt deze zelfstandig dragende afwijzingsgrond (er is sprake van een rechtvaardiging voor de ongeldigverklaring) uitsluitend bestreden met deze summiere toelichting/klacht, die verder niet is uitgewerkt: “Dat geen rechtvaardiging kan worden aangenomen, mag blijken uit de voorgaande klachten en toelichtingen.”
4.2-4.5van de procesinleiding in cassatie geformuleerde klachten, die allemaal zijn gericht tegen het
non-verrijkingsoordeelin rov. 15. Nu de hiervoor besproken zelfstandig dragende afwijzingsgrond dat sprake is van een
rechtvaardigingvoor de ongeldigverklaring in deze onderdelen tegen het non-verrijkingsoordeel verder (ook) niet wordt aangevallen en de klacht uit
4.1als besproken faalt, missen de Handelaren belang bij hun cassatieklachten over het verrijkingsaspect uit rov. 15 [81] . Die kunnen dan ook onbesproken blijven.