ECLI:NL:PHR:1998:AA2477
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbeperking reiskosten eigen rijder in het kader van Wet op de inkomstenbelasting 1964
De zaak betreft een cassatieberoep van een eigen rijder die in zijn winst- en verliesrekening reiskosten opvoerde en betwist dat de aftrekbeperking van 25% op deze kosten toegepast mag worden zonder eerst de privébesparing te elimineren. Het Hof had het geschil ten nadele van de belanghebbende beslecht, waarbij werd aangenomen dat sprake was van een privébesparing die eerst in mindering moest worden gebracht.
De Hoge Raad overwoog dat het bestaande systeem van fiscale winstbepaling onaangetast blijft en dat eerst onttrekkingen zoals privébesparingen uit de ondernemingsuitgaven moeten worden geëlimineerd alvorens de aftrekbeperking van artikel 8a lid 2 Wet IB 1964 wordt toegepast. De aftrekbeperking is bedoeld om het privé-element in gemengde kosten forfaitair te verdisconteren, maar vervangt niet het onderscheid tussen zakelijke kosten en onttrekkingen.
De Hoge Raad verwierp tevens het beroep op het gelijkheidsbeginsel dat stelde dat eigen rijders en werknemers ongelijk worden behandeld, omdat werknemers een belastingvrije vergoeding ontvangen waarin al rekening is gehouden met privébesparing, terwijl ondernemers eerst privébesparing moeten elimineren. Dit verschil is volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd vanwege de verschillende fiscale positie en aard van de kosten.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het arrest van het Hof bevestigd. Hiermee wordt bevestigd dat eigen rijders eerst privébesparing moeten elimineren alvorens de aftrekbeperking toe te passen, en dat de fiscale systematiek hiermee in overeenstemming is.
Uitkomst: Het beroep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd dat eerst de privébesparing moet worden geëlimineerd alvorens de aftrekbeperking van 25% wordt toegepast.