ECLI:NL:PHR:1999:AA2695
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingtarief van 45% over winst uit melkquotum bij gebroken boekjaar
De belanghebbende, een landbouwondernemer die samen met zijn zoon een bedrijf dreef, verkocht op 24 november 1989 hun melkquotum met een aanzienlijke winst. De boekhouding werd gevoerd over gebroken boekjaren van 1 mei tot 30 april. De winst uit de verkoop werd verantwoord in het boekjaar dat eindigde op 30 april 1990. De belanghebbende stelde dat het lagere tarief van 20% moest gelden, omdat de verkoop in 1989 plaatsvond, terwijl de Inspecteur het hogere tarief van 45% toepaste.
Het gerechtshof 's-Gravenhage besliste in het nadeel van de belanghebbende, stellende dat de winst moest worden belast volgens de regels en tarieven van het jaar waarin het boekjaar eindigde, namelijk 1990. De belanghebbende ging in cassatie tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 20 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een volwaardig materieel voorschrift is dat bepaalt dat winst uit gebroken boekjaren wordt toegerekend aan het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt. Hierdoor is het toepasselijke belastingtarief dat van het jaar 1990, waarin het boekjaar eindigde. De wetgever heeft bewust gekozen voor deze regeling, ook al leidt dit tot verschillen in behandeling tussen belastingplichtigen met gebroken boekjaren en die met kalenderjaren. Het beroep van de belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de winst uit de verkoop van het melkquotum belast wordt tegen het tarief van 45% van het jaar waarin het gebroken boekjaar eindigde.