ECLI:NL:PHR:1999:AA2796
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid inspecteur en partij-getuigen in fiscale bestuursrechtelijke procedure over kasgeldconstructie
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam inzake een fiscale kasgeldconstructie en de vraag of bepaalde inspecteurs als partij of getuige moesten worden aangemerkt.
De centrale juridische kwesties betroffen de bevoegdheid van inspecteurs om namens het hoofd van de Belastingdienst op te treden en de vraag of zij als partij-getuigen konden worden gehoord. Het hof had ambtenaren die namens de inspecteur optraden als getuigen gehoord, wat door de belanghebbende werd bestreden.
De Hoge Raad bevestigt dat de bevoegdheid van een inspecteur om zich te laten vertegenwoordigen door een ambtenaar niet ambtshalve hoeft te worden onderzocht als deze niet betwist is. Tevens wordt geoordeeld dat ambtenaren die niet namens de inspecteur optreden, wel als getuige kunnen worden gehoord, omdat mandaat op zich niet leidt tot vereenzelviging met de inspecteur.
Verder wordt bevestigd dat in fiscale procedures de regels omtrent partij-getuigen vergelijkbaar zijn met het civiele recht, waarbij personen die bevoegd zijn een partij te vertegenwoordigen niet als getuige kunnen optreden. De klachten tegen het hof worden verworpen en de cassatie wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de klachten en bevestigde dat inspecteurs die namens het hoofd van de Belastingdienst optreden niet als getuige mogen worden gehoord.