ECLI:NL:PHR:1999:AA2896
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling assurantiebelasting bij verzekering van risico’s Nederlandse dochtervennootschap door in het buitenland gevestigde moedermaatschappij
In deze zaak staat centraal de vraag of de assurantiebelasting terecht is geheven over verzekeringen die betrekking hebben op de bedrijfsrisico’s van B B.V., een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van Y PLC, die zelf in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd.
De Staatssecretaris legde een naheffingsaanslag assurantiebelasting op aan Y PLC over de periode 1 januari 1989 tot 30 juni 1990. Het Hof oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd aan Y PLC, mede op grond van art. 20 WBR Pro en art. 20, tweede lid, AWR, en dat sprake was van een belastbaar feit omdat het verzekerde belang zich binnen Nederland bevond.
Y PLC stelde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de verzekering betrekking had op een binnen Nederland gelegen verzekerd belang, en dat de aanslag onterecht was opgelegd aan Y PLC in plaats van aan B B.V. De Procureur-Generaal concludeerde dat het begrip vaste inrichting niet mag worden uitgebreid tot een dochtervennootschap met eigen rechtspersoonlijkheid en dat de aanslag daarom niet aan Y PLC kan worden opgelegd.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het arrest van het Hof, waarmee de naheffingsaanslag aan Y PLC komt te vervallen. Hiermee wordt bevestigd dat voor assurantiebelasting de plaats van het verzekerde belang en de vestiging van de verzekeringnemer bepalend zijn, en dat een dochtervennootschap niet gelijkgesteld kan worden aan een vaste inrichting.
Uitkomst: De naheffingsaanslag assurantiebelasting aan Y PLC wordt vernietigd omdat de verzekering betrekking heeft op risico’s van de Nederlandse dochter B B.V.